ADR-Digitaal
home
Home

Deel 1 — Algemene voorschriften

Hoofdstuk 1.8 openen →

Deel 2 — Classificatie

Hoofdstuk 2.2.9 openen →

Deel 4 — Verpakkingen en tanks

Hoofdstuk 4.1 openen →
Hoofdstuk 4.2 openen →

Deel 5 — Procedures verzending

Hoofdstuk 5.4 openen →

Deel 6 — Constructie + beproeving verpakkingen

Hoofdstuk 6.1 openen →
Hoofdstuk 6.2 openen →
Hoofdstuk 6.5 openen →
Hoofdstuk 6.6 openen →
Hoofdstuk 6.7 openen →
Hoofdstuk 6.8 openen →
Hoofdstuk 6.11 openen →

Deel 7 — Vervoer, laden, lossen

Deel 8 — Bemanning + voertuig

Deel 9 — Constructie + goedkeuring voertuigen

Tabel A
Inhoudsopgave hoofdstuk 8.1
  1. 8.1.1 Transporteenheden
  2. 8.1.2 Aan boord van de transporteenheid mee te voeren documenten
  3. 8.1.2.4 Geschrapt
  4. 8.1.3 Het aanbrengen van grote etiketten en kenmerking
  5. 8.1.4 Brandbestrijdingsuitrusting

DEEL 8
VOORSCHRIFTEN VOOR DE BEMANNING, UITRUSTING EN EXPLOITATIE VAN HET VOERTUIG EN DOCUMENTATIE

HOOFDSTUK 8.1
ALGEMENE VOORSCHRIFTEN INZAKE TRANSPORTEENHEDEN EN BOORDUITRUSTING

 

Transporteenheden
In geen geval mag een transporteenheid, geladen met gevaarlijke goederen, meer dan één aanhangwagen of oplegger omvatten.

Aan boord van de transporteenheid mee te voeren documenten

8.1.2N - V.L.G.

Indien voor het betrokken vervoer ontheffing is verleend ingevolge artikel 9 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, is deze ontheffing of een afschrift daarvan bij het vervoerdocument gevoegd.

 

Naast de documenten die vanwege andere wettelijke voorschriften worden vereist, moeten in de bestuurderscabine van de transporteenheid de volgende documenten worden meegevoerd:

  1. de vervoerdocumenten, aangegeven in 5.4.1, die alle vervoerde gevaarlijke goederen dekken;
  2. de schriftelijke instructies, voorgeschreven in 5.4.3;
  3. Gereserveerd
  4. identiteitsbewijzen, voorzien van foto, voor elk lid van de bemanning van het voertuig, in overeenstemming met 1.10.1.4.

Voor zover de voorschriften van het ADR vereisen dat de volgende documenten worden opgemaakt, moeten zij evenzo in de bestuurderscabine van de transporteenheid worden meegevoerd:

a) het certificaat van goedkeuring zoals bedoeld in 9.1.3, afgegeven voor iedere transporteenheid of ieder voertuig van de transporteenheid;
b) het vakbekwaamheidscertificaat van de bestuurder zoals voorgeschreven in 8.2.1;
c) een kopie van de goedkeuring door de bevoegde autoriteit, indien deze is voorgeschreven in 5.4.1.2.1 c) of d) of in 5.4.1.2.3.3.

De schriftelijke instructies, voorgeschreven in 5.4.3, moeten snel beschikbaar worden gehouden.

Het aanbrengen van grote etiketten en kenmerking
Transporteenheden die gevaarlijke goederen vervoeren, moeten overeenkomstig hoofdstuk 5.3 worden geëtiketteerd en gekenmerkt.

In de volgende tabel zijn de minimale voorschriften voor draagbare brandblusapparaten voor de brandbaarheidsklassen* A, B en C opgenomen die van toepassing zijn op transporteenheden die gevaarlijke goederen vervoeren met uitzondering van die waarnaar in 8.1.4.2 verwezen wordt:

(1) (2) (3) (4) (5)
Maximaal toegestane massa transporteenheid Minimum aantal
brandblus- apparaten
Totale minimum- capaciteit
per transport- eenheid
Brandblusapparaat geschikt voor brand in motor of bestuurderscabine. Ten minste één exemplaar met een minimumcapaciteit van: Extra brandblusapparaat / brandblusapparaten.
Ten minste één exemplaar met een minimumcapaciteit van:
≤ 3,5 ton 2 4 kg 2 kg 2 kg
> 3,5 ton ≤7,5 ton 2 8 kg 2 kg 6 kg
> 7,5 ton 2 12 kg 2 kg 6 kg
De capaciteit is die voor poederblussers (of een daarmee overeenkomende capaciteit voor ieder ander geschikt blusmiddel).

 * Voor de definitie van de brandbaarheidsklassen, zie norm EN2:1992 + A1:2004 Classificatie van branden.

Transporteenheden die gevaarlijke goederen volgens 1.1.3.6 vervoeren, moeten voorzien zijn van één draagbaar brandblusapparaat voor de brandbaarheidsklassen1 A, B en C, met een minimumcapaciteit van 2 kg poeder (of een daarmee overeenkomende capaciteit voor een ander geschikt blusmiddel).

De draagbare brandblustoestellen moeten geschikt zijn voor gebruik op een voertuig en moeten voldoen aan de desbetreffende voorschriften van EN 3 Draagbare brandblustoestellen, deel 7 (EN 3-7:2004 + A 1:2007).

Indien het voertuig voor het bestrijden van een brand in de motor voorzien is van een niet verplaatsbaar, automatisch dan wel eenvoudig in werking te stellen brandblusapparaat, is het niet nodig dat de draagbare brandblusser voor het bestrijden van een brand in de motor geschikt is.

De blusmiddelen moeten van dien aard zijn dat zij in de bestuurderscabine of onder invloed van de hitte van de brand geen giftige gassen kunnen ontwikkelen.

De draagbare brandblusapparaten overeenkomstig de voorschriften van 8.1.4.1 of 8.1.4.2 hierboven moeten verzegeld zijn teneinde te kunnen vaststellen dat ze niet gebruikt zijn.

De brandblusapparaten moeten worden onderworpen aan onderzoeken volgens goedgekeurde nationale normen teneinde hun veilige werking te waarborgen.

Zij moeten voorzien zijn van een kenmerk als blijk van overeenstemming met een door een bevoegde autoriteit erkende norm en van een opschrift dat de datum (maand, jaar) van het volgende onderzoek of van het verstrijken van de maximaal toegestane gebruikstermijn aangeeft. 

Beste bezoeker, 

U bent bijna bij de volledige inhoud

Deze pagina maakt deel uit van het afgeschermde gedeelte van ADR-digitaal, bedoeld voor abonnees die dagelijks met de ADR-regelgeving werken.

Met een abonnement heeft u onbeperkt toegang tot de complete, gedigitaliseerde ADR, snel doorzoekbaar, met onderlinge verwijzingen en altijd bijgewerkt naar de laatste versie. Precies wat u nodig heeft om zeker en efficiënt te werken.

  • Als u al abonnee bent log dan aub in
  • Nog geen abonnement ?  U bent slechts 1 minuut verwijderd van de volledige toegang tot de Digitale ADR.