ADR-Digitaal
home
Home

Deel 1 — Algemene voorschriften

Hoofdstuk 1.8 openen →

Deel 2 — Classificatie

Hoofdstuk 2.2.9 openen →

Deel 4 — Verpakkingen en tanks

Hoofdstuk 4.1 openen →
Hoofdstuk 4.2 openen →

Deel 5 — Procedures verzending

Hoofdstuk 5.4 openen →

Deel 6 — Constructie + beproeving verpakkingen

Hoofdstuk 6.1 openen →
Hoofdstuk 6.2 openen →
Hoofdstuk 6.5 openen →
Hoofdstuk 6.6 openen →
Hoofdstuk 6.7 openen →
Hoofdstuk 6.8 openen →
Hoofdstuk 6.11 openen →

Deel 7 — Vervoer, laden, lossen

Deel 8 — Bemanning + voertuig

Deel 9 — Constructie + goedkeuring voertuigen

Tabel A
Inhoudsopgave hoofdstuk 6.2
  1. 6.2.1 Algemene voorschriften

HOOFDSTUK 6.2
VOORSCHRIFTEN VOOR DE CONSTRUCTIE EN DE BEPROEVING VAN DRUKHOUDERS, SPUITBUSSEN, HOUDERS, KLEIN, MET GAS (GASPATRONEN) EN PATRONEN VOOR BRANDSTOFCELLEN MET VLOEIBAAR
GEMAAKT, BRANDBAAR GAS.

Opmerking: Spuitbussen, houders, klein, met gas (gaspatronen) en patronen voor brandstofcellen met vloeibaar gemaakt, brandbaar gas zijn niet onderworpen aan de voorschriften van 6.2.1 t/m 6.2.5

 

Drukhouders moeten zodanig zijn ontworpen, vervaardigd, beproefd en uitgerust dat zij alle omstandigheden, vermoeiing inbegrepen, kunnen doorstaan, waaraan zij zullen worden onderworpen onder normale vervoersomstandigheden en gebruiksomstandigheden waarvoor zij bestemd zijn.

De minimumwanddikte mag in geen geval lager zijn dan die welke is vastgelegd in de technische normen voor ontwerp en constructie.

Voor gelaste drukhouders mogen alleen metalen van een lasbare kwaliteit worden gelast.

De beproevingsdruk van reservoirs van drukhouders en flessenbatterijen moet overeenkomen met verpakkingsinstructie P200 van 4.1.4.1 of, voor chemische stoffen onder druk, met verpakkingsinstructie P206 van 4.1.4.1.

De beproevingsdruk van gesloten cryo-houders moet overeenkomen met verpakkingsinstructie P203 van 4.1.4.1.

De beproevingsdruk van een opslagsysteem met metaalhydride moet in overeenstemming zijn met verpakkingsinstructie P205 van 4.1.4.1.

De beproevingsdruk van een reservoir voor een geadsorbeerd gas moet overeenkomen met verpakkingsinstructie P208 van 4.1.4.1.

Flessen of reservoirs van flessen die in een batterij samengevoegd zijn, moeten door een constructie worden ondersteund en bij elkaar worden gehouden als een eenheid.

De flessen of reservoirs van flessen moeten zijn vastgezet op een wijze die beweging ten opzichte van de samenstellende constructie en beweging die zou kunnen leiden tot concentratie van schadelijke plaatselijke spanningen, verhindert.

Geassembleerde verzamelleidingen (b.v. verzamelleiding, afsluiters en manometers) moeten zodanig zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij beschermd zijn tegen beschadiging door schokken en krachten die normalerwijze tijdens het vervoer optreden.

Voor de verzamelleidingen geldt ten minste dezelfde proefdruk als voor de flessen.

In het geval van giftige, vloeibaar gemaakte gassen moet elke fles voorzien zijn van een afsluiter om deze te isoleren om te waarborgen dat elke fles afzonderlijk kan worden gevuld en dat geen uitwisseling van de inhoud van de flessen tijdens het vervoer kan voorkomen.

Opmerking: Giftige, vloeibaar gemaakte gassen hebben de classificatiecode 2T, 2TF, 2TC, 2TO, 2TFC of 2TOC. 

Contact tussen ongelijksoortige metalen, dat beschadiging door galvanische werking ten gevolg zou kunnen hebben, moet worden vermeden.

Aanvullende voorschriften voor de constructie van gesloten cryo-houders voor sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen.

De mechanische eigenschappen van het gebruikte metaal, de kerfslagwaarde en de buigcoëfficiënt inbegrepen, moeten worden vastgesteld voor elke drukhouder.

Opmerking: Wat betreft de kerfslagwaarde zijn in subsectie 6.8.5.3 bijzonderheden over de beproevingsvoorschriften die gebruikt kunnen worden, opgenomen.

De drukhouders moeten thermisch geïsoleerd zijn.

De thermische isolatie moet tegen stoten beschermd zijn door een mantel.

Indien de ruimte tussen het binnenvat en de mantel luchtledig is gemaakt (vacuüm-isolatie), moet de mantel zijn ontworpen om zonder blijvende deformatie een uitwendige druk van ten minste 100 kPa (1 bar) te doorstaan, berekend overeenkomstig erkende technische regels of een berekende kritische bezwijkdruk van ten minste 200 kPa (2 bar) overdruk.

Indien de mantel zodanig gesloten is dat deze gasdicht is (bv. in het geval van vacuüm-isolatie) moet in een inrichting zijn voorzien, die voorkomt dat zich een gevaarlijke druk in de isolerende laag ontwikkelt in geval van onvoldoende gasdichtheid van het binnenvat of de armaturen ervan.

De bedrijfsuitrusting moet voorkomen dat vocht in de isolatie doordringt.

Beste bezoeker, 

U bent bijna bij de volledige inhoud

Deze pagina maakt deel uit van het afgeschermde gedeelte van ADR-digitaal, bedoeld voor abonnees die dagelijks met de ADR-regelgeving werken.

Met een abonnement heeft u onbeperkt toegang tot de complete, gedigitaliseerde ADR, snel doorzoekbaar, met onderlinge verwijzingen en altijd bijgewerkt naar de laatste versie. Precies wat u nodig heeft om zeker en efficiënt te werken.

  • Als u al abonnee bent log dan aub in
  • Nog geen abonnement ?  U bent slechts 1 minuut verwijderd van de volledige toegang tot de Digitale ADR.