Definities
Opmerking: In deze sectie zijn alle algemene en bijzondere definities opgenomen.
In dit reglement wordt verstaan onder:
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
A
Adembeschermingsapparaat (van de buitenlucht onafhankelijk): een apparaat dat de drager bij het werken in een gevaarlijke atmosfeer van lucht voorziet door middel van meegevoerde perslucht of door middel van een externe aanvoer via een slang. Zie voor dergelijke apparaten bijvoorbeeld de Europese Normen EN 137:2006 of EN 138:1994.
Adembeschermingsapparaat (van de buitenlucht afhankelijk): een apparaat dat de drager bij het werken in een gevaarlijke atmosfeer beschermt met behulp van een geschikt filter. Zie voor dergelijke apparaten bijvoorbeeld de Europese norm EN 137:1988. Zie voor de gebruikte filters de Europese normen EN 14387:2004 + A1:2008.
Aerosol: zie Spuitbus
Afneembare tank: een tank - niet zijnde een vaste tank, een transport-tank, een tankcontainer of een element van een batterijwagen of een MEGC - met een capaciteit groter dan 450 liter, die niet is ontworpen voor het vervoer van stoffen zonder overladen van de inhoud, en die gewoonlijk slechts kan worden behandeld indien de tank leeg is.
Afvalstoffen: stoffen, oplossingen, mengsels of voorwerpen, die niet bestemd zijn voor direct gebruik, maar die worden vervoerd om te worden opgewerkt, gestort of vernietigd door middel van verbranding of andere verwerkingsmethoden.
Afzender: de onderneming die zelf of voor derden gevaarlijke goederen verzendt. Indien het vervoer plaats vindt op grond van een vervoersovereenkomst, dan geldt als afzender de afzender volgens deze overeenkomst. Bij tankschepen met lege of geloste ladingtanks wordt met het oog op de vereiste vervoersdocumenten de schipper als afzender beschouwd.
Apparaten (zie Richtlijn 2014/34/EU ): elektrische of niet-elektrische machines, werktuigen, vaste of mobiele inrichtingen, bedieningsorganen en instrumenten, alsmede detectie- en preventiesystemen, die, alleen of in combinatie, bestemd zijn voor productie, transport, opslag, meting, regeling, energieomzetting en/of grondstoffenverwerking en die door hun inherente potentiële bronnen van ontvlamming een explosie kunnen veroorzaken.
Dit is niet van toepassing op apparaten en voorwerpen die onder een eigen UN-nummer zijn ingedeeld en als lading worden vervoerd.
Apparaten bestemd voor gebruik in explosiegevaarlijke gebieden: elektrische en niet-elektrische apparaten, waarbij maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat de in de apparaten aanwezige eigen ontstekingsbronnen in werking gesteld kunnen worden. Dergelijke apparaten moeten voldoen aan de voorschriften voor gebruik in de betreffende zone. De apparaten moeten overeenkomstig het type bescherming beproefd zijn en er moet worden aangetoond dat zij voldoen aan de van toepassing zijnde eisen (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EU, *1 het IECEx-systeem, *2 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig).
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309.
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.
Apparatencategorie (zie Richtlijn 2014/34/EU de indeling van apparaten voor het gebruik in explosiegevaarlijke gebieden, waarmee het vereiste beschermingsniveau wordt bepaald dat moet worden gegarandeerd.
Apparatencategorie 1 omvat apparaten die zo zijn ontworpen dat zij overeenkomstig de door de fabrikant vastgestelde bedrijfsparameters kunnen werken en een zeer hoog beschermingsniveau bieden.
De apparaten van deze categorie zijn bestemd voor een omgeving die door de aanwezigheid van mengsels van lucht met gas, damp, nevel of stof/lucht-mengsels voortdurend, gedurende lange perioden of herhaaldelijk explosief is.
De apparaten van deze categorie moeten het vereiste veiligheidsniveau waarborgen, zelfs in geval van een uitzonderlijke storing van het apparaat, en worden gekenmerkt door zodanige beveiligingsmiddelen dat:
- hetzij, indien één van deze beveiligingsmiddelen uitvalt, ten minste een tweede onafhankelijk middel het vereiste veiligheidsniveau waarborgt. of
- hetzij, indien zich twee onderling onafhankelijke storingen voordoen, het vereiste veiligheidsniveau is gewaarborgd.
Apparaten van categorie 1 volgens Richtlijn 2014/34/EU *1 hebben het kenmerk II 1 G. Zij voldoen aan EPL *4 ‘Ga’ conform IEC 60079-0:2017+COR 1:2020.
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309.
*4 De letters EPL staan voor 'Equipment Protection Level' (apparatenbeschermingsniveau).
Apparaten van de categorie 1 zijn geschikt voor gebruik in zone 0, 1 en 2.
Apparatencategorie 2 omvat apparaten die zo zijn ontworpen dat zij overeenkomstig de door de fabrikant vastgestelde bedrijfsparameters kunnen werken en een hoog beschermingsniveau bieden.
De apparaten van deze categorie zijn bestemd voor een omgeving die door de aanwezigheid van gas, damp, nevel of stof/lucht-mengsels waarschijnlijk af en toe explosief kan worden.
De beveiligingsmiddelen bij apparaten van deze categorie moeten het vereiste veiligheidsniveau waarborgen, zelfs bij frequente storingen of bij gebreken in de werking van het apparaat waarmee gewoonlijk rekening moet worden gehouden.
Apparaten van categorie 2 volgens Richtlijn 2014/34/EU *1 hebben het kenmerk II 2 G. Zij voldoen aan EPL *4 ‘Gb’ conform IEC 60079-0:2017+COR 1:2020.
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309.
*4 De letters EPL staan voor 'Equipment Protection Level' (apparatenbeschermingsniveau).
Apparaten van de categorie 2 zijn geschikt voor gebruik in zone 1 en 2.
Apparatencategorie 3 omvat apparaten die zo zijn ontworpen dat zij overeenkomstig de door de fabrikant vastgestelde bedrijfsparameters kunnen werken en een normaal beschermingsniveau bieden.
De apparaten van deze categorie zijn bestemd voor een omgeving waarin het weinig waarschijnlijk is dat er door de aanwezigheid van gas, damp, nevel, of stof/lucht-mengsels ontploffingsgevaar heerst en waarin een dergelijk gevaar zich naar alle waarschijnlijkheid slechts zelden voordoet en kort duurt.
Apparaten van deze categorie waarborgen bij normaal bedrijf het vereiste veiligheidsniveau.
Apparaten van categorie 3 volgens Richtlijn 2014/34/EU1 hebben het kenmerk II 3 G. Zij voldoen aan EPL*4 ‘Gc’ conform IEC 60079-0:2017+COR 1:2020.
*4 De letters EPL staan voor 'Equipment Protection Level' (apparatenbeschermingsniveau).
Apparaten van de categorie 3 zijn geschikt voor gebruik in zone 2.
Apparatenbeschermingsniveau (EPL *1 (zie IEC 60079-0:2017+COR 1:2020)): het beschermingsniveau dat aan apparaten is toegewezen waarbij de mate van waarschijnlijkheid van een ontsteking als basis heeft gediend.
*1 De letters EPL staan voor 'Equipment Protection Level' (apparatenbeschermingsniveau).
EPL ‘Ga’:
Apparaten met een ‘zeer hoog’ beschermingsniveau. Zij voldoen aan de voorschriften voor apparatencategorie 1 volgens Richtlijn 2014/34/EU.
Apparaten van de beschermingscategorie 'Ga' zijn geschikt voor gebruik in zone 0, 1 en 2.
EPL ‘Gb’:
Apparaten met een ‘hoog’ beschermingsniveau. Zij voldoen aan de voorschriften voor apparatencategorie 2 volgens Richtlijn 2014/34/EU. Apparaten van de beschermingscategorie 'Gb' zijn geschikt voor gebruik in zone 1 en 2.
EPL ‘Gc’:
Apparaten met een ‘verbeterd’ beschermingsniveau. Zij voldoen aan de voorschriften voor apparatencategorie 3 volgens Richtlijn 2014/34/EU. Apparaten van de beschermingscategorie 'Gc' zijn geschikt voor gebruik in zone 2.
B
Batterijwagen: een voertuig/wagen dat/die elementen bevat, die door een verzamelleiding met elkaar zijn verbonden en die duurzaam op dit voertuig/deze wagen zijn bevestigd. Als elementen van een batterijwagen worden beschouwd: flessen, grote cilinders, drukvaten en flessenbatterijen, alsmede tanks voor gassen zoals gedefinieerd in 2.2.2.1.1 met een inhoud van meer dan 450 liter.
Bedrijfsdruk:
- Voor een samengeperst gas: de evenwichtsdruk bij een referentietemperatuur van 15°C in een gevulde drukhouder
- voor UN 1001 Acetyleen, opgelost: de berekende evenwichtsdruk bij een uniforme referentietemperatuur van 15°C in een acetyleenhouder met het opgegeven gehalte aan oplosmiddel en het maximale gehalte aan acetyleen.
- Voor UN 3374 Acetyleen, oplosmiddelvrij: de werkdruk die is berekend voor de equivalente houder voor UN 1001 acetyleen, opgelost.
Opmerking: Voor tanks, zie “Hoogste bedrijfsdruk”.
Bedrijfsdruk (hoogste): de hoogste tijdens het bedrijf in een ladingtank, inclusief de restladingtank, optredende druk. De druk is gelijk aan de openingsdruk van het snelafblaasventiel of het overdrukventiel.
Bedrijfsuitrusting:
- van een tank: de laad- en losinrichtingen, de ontluchtings-, de veiligheids- en de verwarmings-inrichtingen, de warmte werende of warmte-isolerende bescherming, alsmede de meetinstrumenten.
- van de elementen van een batterijwagen of MEGC: de laad- en losinrichtingen, de verzamelleiding inbegrepen, de veiligheidsinrichtingen, alsmede de meetinstrumenten.
- van een IBC: de laad- en losinrichtingen en de eventuele drukontlastings-, veiligheids- en verwarmingsinrichtingen, de warmte-isolerende bescherming en de meetinstrumenten.
Opmerking: Voor transporttanks, zie hoofdstuk 6.7.
BEG: Zie Bovenste explosiegrens.
Beheersysteem, voor het vervoer van radioactieve stoffen: een reeks onderling gerelateerde of op elkaar inwerkende elementen (systeem) voor het vaststellen van beleidsvoorschriften en doelstellingen en het verwezenlijken van die doelstellingen op efficiënte en doelmatige wijze.
Behuizing van vlamkerende inrichting: het deel van een vlamkerende inrichting dat als hoofddoel heeft een geschikte behuizing voor het vlamkerend rooster te vormen en een mechanische verbinding met andere systemen mogelijk te maken.
Belader: elke onderneming die:
- verpakte gevaarlijke goederen, kleine containers of transporttanks laadt in of op een vervoermiddel of container. of
- een container, bulkcontainer, MEGC, tankcontainer of transporttank op een vervoermiddel laadt. of
- een voertuig of wagen in of op een schip laadt.
Beladingscomputer: een instrument bestaande uit een computer (hardware) en een programma (software) dat het mogelijk maakt te waarborgen dat bij ieder geval van ballasten of laden:
- de toelaatbare waarden voor langssterkte en maximale diepgang niet worden overschreden. en.
- de stabiliteit van het schip in overeenstemming is met de voorschriften die op het schip van toepassing zijn. Voor dit doel worden de intactstabiliteit en de lekstabiliteit berekend.
Beproevingsdruk: de druk, die bij het onder druk beproeven voor de eerste maal en bij periodieke beproevingen moet worden gebruikt. [(zie ook Bedrijfsdruk, Bedrijfsdruk (hoogste), Ontwerpdruk en Vuldruk)]
Opmerking: Voor transporttanks: zie Hoofdstuk 6.7 van het ADR of RID.
Bergingsdrukhouder: een drukhouder met een waterinhoud van maximaal 3.000 liter waarin beschadigde, defecte, lekkende of niet voorschriftconforme drukhouders worden geplaatst met het doel deze te vervoeren voor bijv. terugwinning of vernietiging.
Bergingsverpakking: een speciale verpakking waarin beschadigde, defecte, lekkende of niet voorschriftconforme colli met gevaarlijke goederen of gevaarlijke goederen die gemorst of vrijgekomen zijn, worden geplaatst met het doel deze te vervoeren voor terugwinning of vernietiging.
Bergingsverpakking (groot): een speciale verpakking die
- is ontworpen voor mechanische verwerking, en
- waarvan de netto massa groter is dan 400 kg en de netto-inhoud groter dan 450 liter, maar waarvan het volume niet groter is dan 3 m3.
waarin beschadigde, defecte, lekkende of niet voorschriftconforme colli met gevaarlijke goederen of gevaarlijke goederen die gemorst of vrijgekomen zijn, worden geplaatst met als doel deze te vervoeren voor terugwinning of vernietiging.
Beschermde zone:
Het geheel van de volgende ruimten aan boord van droge lading schepen:
- het laadruim of de laadruimen (indien explosiebescherming wordt vereist, zone 1).
- de ruimte die boven dek ligt (indien explosiebescherming wordt vereist, zone 2) en die begrensd is:
- dwarsscheeps door verticale vlakken, die met de huid samenvallen.
- in de lengterichting van het schip door verticale vlakken, die met de laadruimeindschotten samenvallen.
- in de hoogte door een 2,00 m boven de bovenzijde van de lading gelegen horizontaal vlak, ten minste echter door een 3,00 m boven dek gelegen horizontaal vlak.
Beschermde IBC (voor metalen IBC's): een IBC, voorzien van een extra bescherming tegen stoten, waarbij deze beschermende voorziening bijvoorbeeld kan bestaan uit een meerlagige wand ("sandwich") of een dubbelwandige constructie, of uit een omhullend raamwerk met metalen tralies.
Beschermende bekleding: (voor tanks) een bekleding of coating ter bescherming van het metaal van de tank tegen de te vervoeren stoffen.
Opmerking: Deze definitie is niet van toepassing op een bekleding of coating die uitsluitend wordt gebruikt om de te vervoeren stof te beschermen.
Beveiligingssystemen, autonoom: Alle apparaten bedoeld om beginnende explosies onmiddellijk te stoppen en/of om de door een explosie getroffen gebieden te beperken en die als zelfstandig werkende systemen op de markt ter beschikking zijn. Daartoe behoren vlamkerende inrichtingen, snelafblaasventielen, onderdrukventielen, overdrukventielen en deflagratieveilige inrichtingen voor het op veilige wijze drukloos maken van de ladingtanks die tegen een deflagratie bestand zijn (zie ook Vlamkerende inrichting, Onderdrukventiel, Inrichtingen om de ladingtanks op veilige wijze drukloos te maken en Deflagratie).
Bevoorradingsinstallatie (bunker systeem): een installatie voor de bevoorrading van schepen met vloeibare brandstoffen.
Bevoegde autoriteit: de autoriteit(en) of andere instantie(s), die in de verschillende staten in elk speciaal geval overeenkomstig nationaal recht als zodanig is (zijn) aangewezen.
Bijboot: een boot aan boord van het schip die wordt gebruikt voor vervoers-, reddings-, bergings- en werktaken.
Bilgeboot: een tankschip van het type N open, dat gebouwd en ingericht is voor de inname en het vervoer van olie- en vethoudende scheepsbedrijfsafvalstoffen, met een laadvermogen tot 300 ton. Schepen zonder ladingtanks worden als droge lading schepen beschouwd.
Bilgewater: oliehoudend water uit de bilge van de machinekamer, de voor- en achterpiek, de kofferdammen en de zijtanks (ruimtes tussen de dubbele scheepshuid).
Binnenhouder: een houder die moet zijn voorzien van een buitenverpakking om zijn functie van omsluiten/vasthouden te vervullen.
Binnenhouder, voor een gesloten cryo-houder: het drukvat dat bedoeld is om het sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gas te bevatten.
Binnenverpakking: een verpakking die voor het vervoer moet zijn voorzien van een buitenverpakking.
Binnenzak ("liner"): een afzonderlijke omhulling of zak, die in een verpakking, grote verpakking of IBC inbegrepen, geplaatst wordt, maar daarvan geen integrerend deel uitmaakt, met inbegrip van de sluitingen van de openingen.
Boil off: gas die ontstaat door verdamping boven het oppervlak van een kokende lading. Dit wordt veroorzaakt door opwarming of door een afname van de druk.
Biologische/technische benaming: een benaming, die gewoonlijk wordt gebruikt in wetenschappelijke en technische handboeken, tijdschriften en artikelen. Handelsnamen mogen niet voor dit doel worden gebruikt.
Bovenste explosiegrens (BEG): de hoogste concentratie van het explosiegebied waarbij een explosie mogelijk is.
Borghouder: voor het vervoer van radioactieve stoffen: het samenstel van onderdelen van de verpakking die volgens de specificatie van de ontwerper bestemd zijn om vrijkomen van de radioactieve stoffen tijdens het vervoer te verhinderen.
Brandbare bestanddelen (voor spuitbussen): brandbare vloeistoffen, brandbare vaste stoffen of de in het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 31.1.3, Opmerking 1 tot en met 3 gedefinieerde brandbare gassen of gasmengsels. Onder deze aanduiding vallen pyrofore, voor zelfverhitting vatbare of met water reagerende stoffen niet. De chemische verbrandingswarmte moet door middel van een van de volgende methoden worden vastgesteld: ASTM D 240, ISO/FDIS 13943:1999 (E/F) 86.1 tot en met 86.3 of NFPA 30B.
Brandstofcel: een elektrochemisch instrument dat de chemische energie van een brandstof omzet in elektrische energie, warmte en reactieproducten.
Buitenverpakking: buitenbescherming van een combinatieverpakking of van een samengestelde verpakking met inbegrip van absorberende materialen, materialen voor het opvullen en alle andere elementen die noodzakelijk zijn om de binnenhouders of binnenverpakkingen te bevatten en te beschermen.
Bulkcontainer: een omhullingsysteem inclusief eventuele binnenzak of binnenbekleding, dat voor het vervoer van vaste stoffen in rechtstreeks contact met het omhullingsysteem bestemd is. Verpakkingen, IBC’s, grote verpakkingen en tanks vallen hier niet onder.
Een bulkcontainer
- is van duurzame aard en voldoende stevig om herhaaldelijk te kunnen worden gebruikt.
- is speciaal ontworpen om het vervoer van goederen door één of meerdere vervoermiddelen zonder tussentijdse herbelading te vergemakkelijken.
- is voorzien van inrichtingen die de behandeling vergemakkelijken.
- heeft een inhoud van ten minste 1,0 m3.
Voorbeelden van bulkcontainers zijn containers, offshore-bulkcontainers, afvalcontainers, bakken voor los gestorte goederen, wissellaadbakken, stortbakcontainers, rolcontainers en laadcompartimenten van voertuigen of wagens.
Opmerking: deze definitie is alleen van toepassing op bulkcontainers die voldoen aan de voorschriften van Hoofdstuk 6.11 van het ADR.
Bulkcontainer (gesloten): een volledig gesloten bulkcontainer met een vast dak, vaste zijwanden, vaste kopwanden en een vaste bodem (met inbegrip van trechtervormige bodems).
Het begrip omvat bulkcontainers met een beweegbaar dak of een beweegbare zijwand of kopwand voor zover het dak of de wand tijdens het vervoer gesloten is. Gesloten bulkcontainers kunnen zijn uitgerust met openingen voor het doorlaten van dampen/gassen en lucht, mits wordt voorkomen dat onder normale vervoersomstandigheden vaste stoffen uit de container vrijkomen en dat regen- of spatwater de container binnendringt.
Bulkcontainer (met dekzeil uitgerust): een open bulkcontainer met een niet-stijve afdekking, vaste zijwanden, vaste kopwanden en een vaste bodem (met inbegrip van trechtervormige bodems).
Bulkcontainer (flexibel): een flexibele container met een inhoud van ten hoogste 15 m3, binnenbekleding en aangebrachte voorzieningen voor de behandeling en bedrijfsuitrusting.
Bunkerboot: een tankschip van het type N-open, met een laadvermogen tot 300 ton, dat gebouwd en ingericht is voor het vervoer en de afgifte van scheepsaandrijfstoffen aan andere schepen.
C
Cilinderpakket: zie Flessenbatterij.
CIM: uniforme regelen betreffende de overeenkomst van internationaal spoorwegvervoer van goederen (Aanhangsel B bij het Verdrag betreffende het internationaal spoorwegvervoer (COTIF)), zoals gewijzigd.
Classificatiebureau (erkend): een classificatiebureau, dat overeenkomstig hoofdstuk 1.15 door de bevoegde autoriteiten is erkend.
CNG: Zie Samengeperst aardgas.
Collo: het eindproduct van de verpakkingshandelingen, dat gereed is voor verzending, bestaande uit de verpakking, grote verpakking of IBC zelf met de inhoud ervan. De definitie omvat drukhouders voor gassen, zoals gedefinieerd in deze sectie, alsmede voorwerpen die vanwege hun omvang, massa of vorm onverpakt of op sleden, in kratten of in andere inrichtingen voor de behandeling mogen worden vervoerd. Met uitzondering van het vervoer van radioactieve stoffen is deze definitie niet van toepassing op goederen, die los gestort worden vervoerd en evenmin op stoffen die in tanks worden vervoerd.
Aan boord van schepen omvat de definitie “collo” ook voertuigen, wagens, containers (inclusief wisselopbouwen), tankcontainers, transporttanks, batterijvoertuigen, batterijwagens, tankwagens, reservoirwagens en gascontainers met meerdere elementen (MEGC’s).
Opmerking: Voor radioactieve stoffen, zie 2.2.7.2, 4.1.1.9.1.1 en hoofdstuk 6.4 van het ADR.
Combinatie-IBC met binnenhouder van kunststof: een IBC bestaande uit een constructieve uitrusting in de vorm van een stijve uitwendige omhulling die een kunststof binnenhouder omsluit, alsmede bedrijfsuitrus-ting of andere constructieve uitrusting. Zij zijn zodanig geconstrueerd dat indien de uitwendige omhulling en de binnenhouder eenmaal zijn samengebouwd, deze daarna een onverbrekelijke eenheid vormen, die als zodanig wordt gevuld, opgeslagen, vervoerd en geledigd.
Opmerking: “Kunststof“ voor zover gebruikt in verband met binnenverpakkingen van combinatie-IBC’s, omvat ook andere polymere materialen, zoals rubber.
Combinatieverpakking: een verpakking bestaande uit een buitenverpakking en een binnenhouder die zodanig is ontworpen dat de binnenhouder en de buitenverpakking een geïntegreerde verpakking vormen. Wanneer de verpakking eenmaal is samengebouwd, blijft deze daarna een onverbrekelijke eenheid die als zodanig wordt gevuld, opgeslagen, verzonden en geledigd.
Opmerking: De term “binnenhouder” voor combinatieverpakkingen moet niet worden verward met de term “binnenverpakking” voor samengestelde verpakkingen. Zo is bijvoorbeeld het binnenste van een combinatieverpakking van het type 6HA1 (kunststof) een dergelijke binnenhouder, gezien het feit dat het normaliter niet is ontworpen om een functie van omsluiting te vervullen zonder de buitenverpakking en het dus niet gaat om een binnenverpakking.
Wordt er na de term “combinatieverpakking” tussen haakjes een materiaal genoemd, dan verwijst dat naar de binnenhouder.
Conformiteitsborging (radioactieve stoffen): een systematisch programma van maatregelen, dat door een bevoegde autoriteit toegepast wordt met het doel te garanderen dat de voorschriften van het ADN in de praktijk in acht worden genomen.
Container: een vervoermiddel (laadkist of dergelijke constructie),
- van permanente aard en derhalve stevig genoeg voor herhaald gebruik,
- speciaal gebouwd om het vervoer van goederen, zonder overlading van de inhoud, door een of meer vervoerswijzen te vergemakkelijken,
- voorzien van inrichtingen die de behandeling en de vastzetting vergemakkelijken, met name bij het overladen van het ene vervoermiddel op het andere,
- dat zodanig ontworpen is, dat het vullen en legen wordt vergemakkelijkt ).
- dat een inwendige inhoud bezit van ten minste 1m3 met uitzondering van containers voor het vervoer van radioactieve stoffen.
Container (kleine): een container met een inwendige inhoud van ten hoogste 3,0 m3.
Container (grote):
- een container die niet voldoet aan de definitie van kleine container.
in de zin van de CSC: een container met een grondvlak, dat begrensd is door de vier buitenhoeken,
- van ten minste 14m2 (150 sq ft) of
- van ten minste 7 m2 (75 sq ft), indien de container aan de bovenzijde voorzien is van hoekstukken (“corner fittings”).
Container (gesloten): een volledig gesloten container met een vast dak, vaste zijwanden, vaste kopwanden en een vloer. Het begrip omvat containers met een beweegbaar dak, voor zover het dak tijdens het vervoer gesloten is.
Container (open): een container met open dak of een platte container.
Container (met dekzeil uitgerust): een open container die ter bescherming van de lading met een dekzeil is uitgerust.
Een wissellaadbak is een container die volgens de Europese norm EN 283 (versie van 1991) de volgende bijzonderheden vertoont:
- hij is wat betreft sterkte van de constructie alleen geschikt voor het vervoer met wagens of voertuigen over land of met veerboten;
- hij is niet stapelbaar,
- hij kan met middelen die zich aan boord van voertuigen bevinden op steunen worden geplaatst en daarvan weer worden weggenomen
Opmerking: Onder de definitie “container” vallen noch gewone verpakkingen noch IBC’s, noch tankcontainers noch voertuigen of wagens. Nochtans mag een container worden gebruikt als een verpakking voor het vervoer van radioactieve stoffen.
Controletemperatuur: de maximumtemperatuur waarbij een organisch peroxide, de zelfontledende stof of de polymeriserende stof veilig vervoerd kan worden.
Criticaliteits-veiligheidsindex (Criticality Safety Index, CSI), toegekend aan een collo, oververpakking
of container, die splijtbare stoffen bevatten, voor het vervoer van radioactieve stoffen: een getal dat wordt gebruikt om controle te verschaffen over de totale hoeveelheid van colli, oververpakkingen of containers die splijtbare stoffen bevatten.
Cryo-houder: een drukhouder met warmte-isolerende bescherming voor sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen met een waterinhoud van ten hoogste 1.000 liter (zie ook “Open cryo-houder”).
D
Deflagratie: een explosie, die zich, met een snelheid lager dan de geluidssnelheid, voortplant (zie EN 13237:2012).
Detonatie: een explosie, die zich, met een snelheid hoger dan de geluidssnelheid, voortplant, gekenmerkt dor een drukgolf (zie EN 13237:2012).
Diameter: (voor reservoirs van tanks) de inwendige diameter van het reservoir.
Dienstruimte: een gedurende het in bedrijf zijn betreedbare ruimte, die noch tot de woning noch tot de tanks behoort, met uitzondering van de voor- en achterpiek, voor zover in deze voor- en achterpiek geen machine-installaties zijn ingebouwd.
Dierlijke stoffen: dierlijke kadavers, dierlijke lichaamsdelen, voedingsmiddelen of voedermiddelen van dierlijke oorsprong.
Dosistempo: Het omgevingsdosis-equivalent voor straling of het richtingsdosis-equivalent voor straling, naar gelang van het geval, per tijdseenheid, gemeten op het relevante punt.
Doos: zie Kist.
Druk/vacuümtank (voor afvalstoffen): een vaste tank, afneembare tank, tankcontainer of wissellaadtank, die hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen, met bijzondere constructieken-merken en/of uitrustingsdelen om het vullen van de druk/vacuümtank met afvalstoffen en het ledigen ervan als bedoeld in hoofdstuk 6.10 van het ADR te vergemakkelijken. Een tank die volledig voldoet aan de voorschriften van hoofdstuk 6.7 of 6.8 van het ADR wordt niet beschouwd als drukvacuümtank.
Drukhouder:: een verplaatsbare houder bedoeld om stoffen onder druk te houden, inclusief sluitingen en bedrijfsuitrusting, en een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryo-houders, opslagsystemen met metaalhydride, flessenbatterijen en bergingsdrukhouders omvat.
Drukhouder reservoir: een fles, een grote cilinder, een drukvat of een bergingsdrukrecipiënt zonder zijn sluitingen of andere bedrijfsuitrusting, maar met inbegrip van elke permanent bevestigde inrichting(en) (bijvoorbeeld ring om de hals of om de voet).
Opmerking: de term “fles reservoir”, "drukvat reservoir" en "buis reservoir""worden ook gebruikt.
Drukken: de diverse op tanks betrekking hebbende drukken (bijv. bedrijfsdruk, openingsdruk van het snelafblaasventiel, beproevingsdruk) worden in kPa (bar) overdruk aangegeven, de dampdruk van de stoffen echter in kPa (bar) absolute druk.
Drukvat: een gelaste drukhouder met een waterinhoud van meer dan 150 liter en niet meer dan 1.000 liter (bv. cilindervormige houders met rolbanden, bolvormige houders op sleden).
Duurbrand: gelijkmatig branden tijdens een onbeperkte tijd (zie ISO 16852:2016 *5).
*5 Identiek aan EN ISO 16852:2016.
E
EG-Richtlijn: door de bevoegde instellingen van de Europese Gemeenschap vastgelegde bepalingen, die met betrekking tot het te bereiken resultaat bindend zijn voor elke geadresseerde Lidstaat, maar waarvan de keuze van vorm en methoden wordt overgelaten aan de nationale autoriteiten.
Elektrische inrichting (beperkt explosieveilig): een elektrische inrichting, die zodanig is geconstrueerd dat tijdens normaal bedrijf geen vonken veroorzaakt worden, en geen oppervlaktetemperaturen optreden die boven 200 °C liggen. Hiertoe behoren bijvoorbeeld:
- draaistroom-kooiankermotoren.
- borstelloze generatoren met contactloze bekrachtigingsinrichtingen.
- smeltveiligheden van het gesloten type.
- contactloze elektronische inrichtingen.
of een elektrische inrichting met ten minste een spuitwaterdichte omhulling (beschermingsgraad IP 55 of hoger), waarbij onder normale bedrijfsomstandigheden geen oppervlaktetemperaturen optreden die boven 200 °C liggen.
Evacuatiemiddelen: alle middelen die door mensen kunnen worden ingezet om bij gevaar een veilig heenkomen te vinden. Daarbij dient met de volgende gevaren rekening te worden gehouden:
- Voor klasse 3, verpakkingsgroep III, UN 1202, tweede en derde positie en voor de klassen 4.1, 8 en 9 op tankschepen: lekkage van de walaansluiting van de laad- en losleiding .
- Voor andere stoffen van de klassen 3 en 2 en voor brandbare stoffen van klasse 8 op tankschepen: vuur in de omgeving van de walaansluiting van de laad- en losleiding op het dek en brandende vloeistof op het water.
- Voor klasse 5.1 op tankschepen: oxiderende stoffen kunnen in combinatie met brandbare vloeistoffen een explosie veroorzaken.
- Voor klasse 6.1 op tankschepen: giftige gassen in de omgeving van de walaansluiting van de laad- en losleiding en in de richting van de wind.
- Voor gevaarlijke stoffen op droge lading schepen: gevaren die voortvloeien uit de goederen in de laadruimen.
Evenwichtsdruk: de druk van de inhoud van een drukhouder bij temperatuur- en diffusie-evenwicht.
Exclusief gebruik, voor het vervoer van radioactieve stoffen: het alleen gebruik van een voertuig of grote container door één enkele afzender, waarbij alle laad- en loshandelingen en verzendingshandelingen vóór, tijdens en na het vervoer, overeenkomstig de aanwijzingen van de afzender of de geadresseerde worden uitgevoerd, voor zover dat onder het ADN is vereist.
Exploitant van een tankcontainer of transporttank: de onderneming op naam waarvan de tankcontainer of transporttank wordt gebruikt.
Explosie: plotselinge oxidatie- of ontledingsreactie met stijging van de temperatuur of de druk of van beide tegelijkertijd (zie EN 13237:2012).
Explosiebescherming: het totaal van de voorschriften waaraan moet worden voldaan en de maatregelen die moeten worden genomen om de schade, veroorzaakt door explosies te voorkomen.
Daartoe behoren:
Organisatorische maatregelen zoals, bijvoorbeeld:
- vastleggen van explosiegevaarlijke gebieden (zone-indeling): waar een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht, waarschijnlijk kan optreden:
- voortdurend, gedurende lange perioden of herhaaldelijk (zone 0).
- af en toe onder normale bedrijfsomstandigheden (zone 1). of
- bij uitzondering of slechts kortstondig (zone 2).
(zie Richtlijn 1999/92/EG *6).
*6 Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 23 van 28 januari 2000, blz. 57.
- vermijden van ontstekingsbronnen (gebruik van vonk-arm handgereedschap, niet roken, gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen, met inbegrip van elektrostatisch dissipatief schoeisel, niet-isolerende handschoenen, enz.).
- opstellen van werkinstructies.
Evenals technische voorschriften zoals, bijvoorbeeld:
- gebruik van inrichtingen en apparaten waarvan is aangetoond dat zij geschikt zijn voor gebruik in de verschillende explosiegevaarlijke gebieden.
- gebruik van autonome beveiligingssystemen.
- controle van de potentieel explosieve atmosfeer met behulp van gasdetectie-installaties en gasdetectiemeters.
Explosiegevaarlijke gebieden: gebieden waarin een explosieve atmosfeer kan voorkomen op een zodanige schaal, dat speciale voorzorgsmaatregelen nodig zijn om de veiligheid en de gezondheid van de betrokken personen te beschermen (zie Richtlijn 1999/92/EG) *1. Explosiegevaarlijke gebieden zijn, conform de frequentie en de duur van het aanwezig zijn van de explosieve atmosfeer, ingedeeld in zones. Zie ook Indeling van explosiegevaarlijke gebieden, Explosiebescherming, Zone-indeling - voor tankschepen en Beschermde zone - voor droge lading schepen.
*1 Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen nr. L 23 van 28 januari 2000, blz. 57.
Explosiegroep/subgroep: indeling van de brandbare gassen en dampen op basis van hun mogelijkheid van vlamdoorslag bij bepaalde spleetbreedtes (te bepalen volgens vastgelegde testmethoden) en/of op basis van de ontstekingsverhouding, en van de elektrische apparaten die bedoeld zijn voor gebruik in een explosieve atmosfeer (zie EN IEC 60079-0:2017+Cor 1:2020), installaties, uitrusting en ingebouwde beschermingssystemen. Voor ingebouwde autonome beveiligingssystemen is explosie groep IIB onderverdeeld in subgroepen.
Explosieve atmosfeer: een mengsel van lucht met gassen, dampen of nevels, brandbaar onder atmosferische condities, waarin het verbrandingsproces zich na ontsteking uitbreidt over het gehele mengsel, dat nog niet heeft gereageerd (zie EN 13237:2012).
F
Fles (cilinder): een drukhouder met een waterinhoud van niet meer dan 150 liter.
Flessenbatterij (cilinderpakket): een drukhouder bestaande uit een verzameling van flessen of reservoirs van flessen die aan elkaar zijn bevestigd en onderling door een verzamelleiding zijn verbonden en die als ondeelbare eenheid wordt vervoerd. De totale waterinhoud mag niet meer bedragen dan 3.000 liter, met uitzondering van batterijen bestemd voor het vervoer van giftige gassen van klasse 2 (de groepen beginnend met de letter T overeenkomstig 2.2.2.1.3) die moeten worden beperkt tot 1.000 liter waterinhoud.
Flexibele IBC: een IBC bestaande uit een verpakkingslichaam van folie, weefsel of een ander flexibel materiaal of combinaties van dit soort materialen en zo nodig een binnenbekleding of binnenzak, alsmede uit bijbehorende bedrijfsuitrusting en voorzieningen voor de behandeling.
Flexibele bulkcontainer: zie Bulkcontainer.
G
Gas: (in de zin van klasse 2) een stof die
- bij 50°C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar), of
- bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is.
In ander verband betekent gassen: gassen of dampen.
Gascontainer met verscheidene elementen (“Multiple Element Gas Container”, MEGC): een eenheid die bestaat uit elementen die door een verzamelleiding met elkaar zijn verbonden en die duurzaam in een raamwerk zijn gemonteerd. Als elementen van een gascontainer met verscheidene elementen worden beschouwd: flessen, grote cilinders, drukvaten en flessenbatterijen, alsmede tanks met een inhoud van meer dan 450 liter voor gassen zoals gedefinieerd in 2.2.2.1.1.
Opmerking: Voor UN-MEGC's, zie hoofdstuk 6.7 van het ADR.
Gasdetectie-installatie: een continu werkende, vast aangebrachte meetinrichting met direct metende sensoren waarmee tijdig van belang zijnde concentraties van brandbare gassen in de lading, onder de onderste explosiegrens (OEG) ervan, kunnen worden gemeten en die bij het overschrijden van een grenswaarde een alarm in werking kan stellen. De installatie moet op n-hexaan zijn gekalibreerd of op een gas dat wordt voorgeschreven door de fabrikant van de installatie. De reactiedrempel van de sensoren moet maximaal 10% van de OEG van n-hexaan of het kalibratiegas dat wordt voorgeschreven door de fabrikant van de installatie bedragen.
De installatie moet volgens IEC/EN *4 60079-29-1:2016 en bij elektronisch werkende installaties in aanvulling daarop volgens EN 50271:2010 of EN 50271:2018 gecertificeerd zijn. Indien de installatie in explosiegevaarlijke zones wordt gebruikt, moet zij bovendien voldoen aan de voorschriften voor gebruik in de betreffende zone en er moet worden aangetoond dat zij voldoet aan de van toepassing zijnde eisen (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EG, *1 IEC Ex-systeem, *2 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig).
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.
*4 IEC/EN betekent dat de norm zowel als een IEC-norm als een EN-norm beschikbaar is.
Gasdetectiemeter: een draagbaar apparaat waarmee van belang zijnde concentraties van brandbare gassen onder de OEG kunnen worden gemeten en dat de concentratie van deze gassen duidelijk aangeeft. Gasdetectiemeters kunnen zowel zijn ontworpen voor alleen brandbare gassen als voor het meten van brandbare gassen en zuurstof. Het apparaat moet zo zijn uitgevoerd dat ook metingen mogelijk zijn zonder de ruimte, waarin moet worden gemeten, te betreden.
De reactiedrempel van de sensoren bedraagt 5 % van de OEG van methaan of het door de fabrikant van de apparatuur voorgeschreven gas. De gasdetectiemeter moet volgens IEC/EN4 60079-29-1:2016 gecertificeerd zijn. Indien het apparaat in explosiegevaarlijke gebieden wordt gebruikt, moet het bovendien voldoen aan de voorschriften voor gebruik in de betreffende zone en moet worden aangetoond dat het apparaat voldoet aan de van toepassing zijnde eisen (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EG, *1 het IEC Ex-systeem, *2 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig).
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.
Gaspatroon: zie Houder, klein, met gas.
Gasterugvoerleiding (aan de wal): een leiding van de walinstallatie die tijdens het laden en lossen met de gasafvoerleiding van het schip wordt verbonden.
Gasafvoerleiding (aan boord): een leiding van de installatie van het schip die tijdens het laden en lossen een of meer ladingtanks met de gasterugvoerleiding verbindt en die voorzien is van veiligheidsventielen ter voorkoming van ontoelaatbare inwendige over- of onderdruk in de ladingtank(s).
Geadresseerde: de geadresseerde volgens de vervoersovereenkomst. Indien de geadresseerde volgens de bepalingen van de vervoersovereenkomst een derde aanwijst, dan geldt deze derde als geadresseerde in de zin van het ADN. Indien het vervoer plaats vindt zonder vervoersovereenkomst, dan is de geadresseerde de onderneming die de gevaarlijke goederen bij aankomst in ontvangst neemt.
Gerecycleerde kunststof: materiaal dat teruggewonnen wordt uit gebruikte industriële verpakkingen of uit andere kunststof die is voorgesorteerd en voorbereid voor de verwerking in nieuwe verpakkingen, met inbegrip van IBC’s. De specifieke eigenschappen van het gerecycleerde materiaal dat gebruikt wordt voor de productie van nieuwe verpakkingen, met inbegrip van IBC’s, moeten worden gegarandeerd en regelmatig worden gedocumenteerd als onderdeel van een kwaliteitsborgingsprogramma, erkend door de bevoegde autoriteit. Het kwaliteitsborgingsprogramma moet een registratie van een geschikte voorsortering en controle omvatten, zodat elke batch van gerecycleerd materiaal, die van homogene samenstelling is, overeenstemt met de materiaalspecificaties (smeltindex, dichtheid en trekeigenschappen) van het ontwerptype, vervaardigd van dergelijk gerecycleerd materiaal.
Dit omvat noodzakelijkerwijze informatie omtrent het kunststofmateriaal waarvan de gerecyclede kunststoffen afkomstig zijn, alsmede informatie omtrent het vroegere gebruik, inclusief de vroegere inhoud, van het kunststofmateriaal, indien dit vroegere gebruik het prestatievermogen van nieuwe verpakkingen, inclusief IBC’s, gefabriceerd van dat materiaal, zou kunnen verminderen. Bovendien moet in het kwaliteitsborgingsprogramma van de fabrikant van de verpakking of IBC, overeenkomstig 6.1.1.4 of 6.5.4.1, de uitvoering van de juiste mechanische beproevingen van het prototype, overeenkomstig 6.1.5 of 6.5.6, zijn opgenomen, uit te voeren op verpakkingen of IBC’s vervaardigd van elke batch van gerecycleerd kunststof materiaal. Bij deze beproevingen mag het prestatievermogen bij de stapelproef worden onderzocht door middel van een geschikte dynamische compressiebeproeving in plaats van de stapelproef;
Opmerking: Norm ISO 16103:2005 “Verpakking - Transportverpakkingen voor gevaarlijke goederen - Gerecycled kunststof materiaal” geeft aanvullende adviezen voor procedures voor de goedkeuring van het gebruik van gerecycleerde kunststoffen die kunnen worden gevolgd. Deze adviezen zijn ontwikkeld op basis van de ervaring met de fabricage van vaten en jerrycans van gerecycled kunststoffen en moeten als zodanig mogelijk worden aangepast voor andere soorten verpakkingen, IBC's en grote verpakkingen van gerecycled kunststoffen.
GESAMP: de Gezamenlijke Groep van deskundigen inzake de wetenschappelijke aspecten van de bescherming van het mariene milieu. IMO-publicatie: “The Revised GESAMP Hazard Evaluation Procedure for Chemical Substances Carried by Ships”, GESAMP Reports and Studies No. 64, IMO, Londen, 2002.
Bij de toepassing van het GESAMP-model ten behoeve van de onderhavige regelgeving is de referentietemperatuur voor relatieve dichtheid, dampdruk en oplosbaarheid in water 20 ºC. Ten behoeve van het onderscheid tussen drijvende stoffen (“drijvers”) en stoffen die zinken (“zinkers”) wordt een referentiewaarde voor relatieve dichtheid gehanteerd van 1.000 (hetgeen overeenkomt met de dichtheid van water in binnenwateren van 1.000 kg/m3).
Gesloten bulkcontainer: zie Bulkcontainer.
Gesloten container: zie Container.
Gesloten voertuig: een voertuig, waarvan de carrosserie een afsluitbare laadruimte omvat.
Gevaarlijke goederen: stoffen en voorwerpen, waarvan het vervoer volgens het ADN is verboden of slechts onder de daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan.
Gevaarlijke reactie:
- een verbranding en/of een aanmerkelijke warmteontwikkeling.
- de ontwikkeling van brandbare, verstikkende, oxiderende, en/of giftige gassen.
- de vorming van bijtende stoffen.
- de vorming van instabiele stoffen. of
- een gevaarlijke drukverhoging (alleen voor tanks en ladingtanks).
GHS (Globally Harmonized System of Classification and Labelling of Chemicals): de tiende herziene editie van het door de Verenigde Naties middels document ST/SG/AC.10/30/Rev.10 gepubliceerde wereldwijd geharmoniseerde systeem voor de classificatie en etikettering van chemische producten.
Giftigheidsmeter: een apparaat, waarmee iedere van belang zijnde concentratie van vanuit de lading komende giftige gassen gemeten kan worden. Het apparaat moet voldoen aan de normen EN 45544-1:2015, EN 45544-2:2015, EN 45544-3:2015 en EN 45544-4:2016, of aan ISO-norm 17621:2015.
Indien het apparaat in explosiegevaarlijke gebieden wordt gebruikt, moet het bovendien geschikt zijn voor gebruik in de betreffende zone en moet worden aangetoond dat het apparaat voldoet aan de van toepassing zijnde eisen (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EG *1 , het IECEx-systeem, *2 of ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig).
Het apparaat moet zo zijn uitgevoerd dat ook metingen mogelijk zijn zonder de ruimten, waarin moet worden gemeten, te betreden.
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.
Goedkeuring:
Multilaterale goedkeuring, voor het vervoer van radioactieve stoffen: de goedkeuring door de betrokken bevoegde autoriteit van het land van herkomst van het ontwerp of de zending, voor zover van toepassing, en door de bevoegde autoriteit van elk land waardoor of waarheen de zending moet worden vervoerd.
Unilaterale goedkeuring, voor het vervoer van radioactieve stoffen: de goedkeuring van een ontwerp die uitsluitend hoeft te worden afgegeven door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst van het ontwerp. Indien het land van herkomst geen Overeenkomstsluitende Partij bij het ADN is, moet de goedkeuring geldig worden verklaard door de bevoegde autoriteit van een Overeenkomstsluitende Partij bij het ADN, die door de zending wordt bereikt (zie 6.4.22.8 van het ADR).
Grootste inhoud: grootste binnenvolume van houders of verpakkingen, met inbegrip van grote verpakkingen en IBC‘s, uitgedrukt in m³ of liters.
Grootste netto massa: de grootste netto massa van de inhoud van een enkele verpakking of de grootste gezamenlijke massa van de binnen- verpakkingen en hun inhoud, uitgedrukt in kg.
Grootste toelaatbare bruto massa:
- (voor IBC's): de som van de massa van de IBC en de totale bedrijfs- of constructieve uitrusting en de grootste netto massa.
- (voor tanks): de som van de eigen massa van de tank en de hoogste voor het vervoer toegelaten massa van de lading.
Opmerking: Voor transporttanks, zie hoofdstuk 6.7 van het ADR.
Grote cilinder ("tube") (klasse 2): een drukhouder van naadloze of samengestelde constructie en een waterinhoud van meer dan 150 liter en niet meer dan 3.000 liter.
Grote container: zie Container.
Grote verpakking: een verpakking die bestaat uit een buitenverpakking die voorwerpen of binnenverpakkingen bevat en die:
- ontworpen is voor behandeling met mechanische hulpmiddelen en
- een netto massa van meer dan 400 kg of een inhoud van meer dan 450 liter, maar een inhoud van ten hoogste 3,0 m3 heeft.
Hergebruikte grote verpakking: een grote verpakking die opnieuw moet worden gevuld en die is onderzocht en vrij bevonden van gebreken die het vermogen beïnvloeden om de prestatiebeproevingen te doorstaan. deze definitie omvat die grote verpakkingen die opnieuw worden gevuld met dezelfde of gelijksoortige verenigbare inhoud en die binnen distributieketens worden vervoerd onder controle van de afzender van het product.
Omgebouwde grote verpakking: een grote verpakking van metaal of stijve kunststof die:
- uitgaande van een niet-UN-type wordt vervaardigd als een UN-type, of:
- wordt omgebouwd van een UN-constructietype in een ander UN-constructietype.
Omgebouwde grote verpakkingen zijn onderworpen aan dezelfde voorschriften van het ADR, die van toepassing zijn op nieuwe grote verpakkingen van hetzelfde type (zie ook de definitie van constructietype in 6.6.5.1.2 van het ADR).
H
Handboek beproevingen en criteria: de achtste herziene editie van de "Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of Tests and Criteria", gepubliceerd door de Verenigde Naties (ST/SG/AC.10/11/Rev.8).
Hergebruikte grote verpakking: zie Grote verpakking.
Hermetisch gesloten tank: een tank die:
- niet met veiligheidsventielen, breekplaten, gelijksoortige veiligheidsinrichtingen of vacuümkleppen is uitgerust, of
- met veiligheidsventielen, waarvoor overeenkomstig 6.8.2.2.10 van het ADR een breekplaat is aangebracht, echter niet met vacuümkleppen is uitgerust.
Een tank bestemd voor het vervoer van vloeibare stoffen met een berekeningsdruk van ten minste 4 bar of bestemd voor het vervoer van vaste (poedervormige of korrelvormige) stoffen ongeacht de berekeningsdruk, wordt ook als hermetisch gesloten beschouwd, indien deze:
- met veiligheidsventielen, waarvoor overeenkomstig 6.8.2.2.10 van het ADR een breekplaat is aangebracht, en met vacuümkleppen, overeenkomstig de bepalingen van 6.8.2.2.3 van het ADR is uitgerust. of
- niet met veiligheidsventielen, breekplaten of gelijksoortige veiligheidsinrichtingen, maar met vacuümkleppen, overeenkomstig de bepalingen van 6.8.2.2.3 van het ADR is uitgerust.
Hoofdmachinekamer: een ruimte waar de voortstuwingsmotoren zijn geïnstalleerd.
Hoogste bedrijfsdruk: de hoogste druk die optreedt in een ladingtank of een restladingtank tijdens het bedrijf. Deze druk is gelijk aan de openingsdruk van het snelafblaasventiel of overdrukventiel.
Hoogste klasse: een schip wordt in de hoogste klasse ingedeeld, indien:
- de scheepsromp inclusief de roer- en de stuurmachine-installatie evenals de ankers en kettingen voldoen aan de voorschriften van een erkend classificatiebureau en onder hun toezicht gebouwd en beproefd zijn.
- de voortstuwingsinstallatie evenals de voor het vaarbedrijf noodzakelijke hulpmachines en werktuigbouwkundige- en elektrische inrichtingen volgens de voorschriften van dit classificatiebureau samengesteld en beproefd zijn, de inbouw ervan onder toezicht van het classificatiebureau is uitgevoerd en de totale installatie na de inbouw door hen met goed gevolg is beproefd.
Hoogste normale bedrijfsdruk, voor het vervoer van radioactieve stoffen: de hoogste druk boven de atmosferische druk op gemiddeld zeeniveau die zich in de loop van één jaar binnen de borghouder zou ontwikkelen onder omstandigheden waarbij de temperatuur en zoninstraling heersen die overeenkomen met de omgevingsomstandigheden tijdens het vervoer zonder dat er druknivellering, uitwendige koeling door een hulpsysteem of controlemaatregelen plaatsvinden.
Houder: een omhulsel, bestemd om stoffen of voorwerpen op te nemen en te bevatten met inbegrip van alle sluitingsmiddelen. Reservoirs vallen niet onder deze definitie. (Zie ook Binnenhouder, Gesloten cryo-houder, Open cryo-houder, Drukhouder, Gaspatroon en Stijve binnenhouder).
Houder (voor klasse 1): kisten of dozen, flessen, blikken, vaten, potten en tubes, met inbegrip van elke soort van afsluitinrichting, gebruikt als binnen- en tussenverpakkingen.
Houder, klein, met gas (gaspatroon): een niet hervulbare houder, waarvan de waterinhoud niet meer bedraagt dan 1000 ml voor houders van metaal en niet meer dan 500 ml voor houders van kunststof of glas, die een gas of gasmengsel onder druk bevat. Hij kan zijn voorzien van een afsluitventiel.
Houder voor restproducten: Intermediate Bulk Container, tankcontainer of transporttank bedoeld om restlading, waswater, ladingrestanten of slobs die geschikt zijn voor verpomping te verzamelen. De houder moet overeenkomstig het ADR, RID of de IMDG Code zijn goedgekeurd en voor de betreffende stof zijn toegestaan. De maximaal toelaatbare inhoud van een IBC is 3 m³ en die van een tankcontainer of transporttank 12 m³.
Houder voor slobs: een vuurbestendige met een deksel afsluitbare houder, bedoeld om slobs te verzamelen die niet geschikt zijn voor verpomping. De houder moet overeenkomstig het ADR, RID of de IMDG Code zijn goedgekeurd en voor de betreffende stof zijn toegestaan. De maximaal toelaatbare inhoud is 450 l. De houder moet goed hanteerbaar zijn en het kenmerk “SLOB” dragen (letterhoogte: 0,10 m.
Houten IBC: een IBC bestaande uit een stijf of inklapbaar houten verpakkingslichaam, voorzien van een binnenzak (maar geen binnenverpakkingen), alsmede uit de bijbehorende bedrijfsuitrusting en constructieve uitrusting.
Houten ton: een verpakking van natuurlijk hout met cirkelvormige doorsnede met gewelfde wanden, samengesteld uit duigen en bodems en voorzien van hoepels.
I
IAEA Regulations for the Safe Transport of Radiactive Material: één van de uitgaven van deze publicatie zoals:
- Voor de edities van 1985 en 1985 (geamendeerd in 1990: IAEA Safety Series No.6
- Voor de editie van 1996: IAEA Safety Series No. ST-1
- Voor de herziene editie van 1996: IAEA Safety Series No. TS-R-1 (ST-1, Revised).
- Voor de editie van 1996 (geamendeerd in 2003), 2005 en 2009: IAEA Safety Standards Series No. TS-R-1.
- Voor de editie van 2012: IAEA Safety Standards No. SSR-6.
- Voor de editie van 2018: IAEA Safety Standards Series No. SSR-6 (Rev.1).
IBC van stijve kunststof: een IBC die bestaat uit een verpakkingslichaam van stijve kunststof, dat kan zijn voorzien van een constructieve uitrusting en uit de bijbehorende bedrijfsuitrusting.
IBC Code: de "International Code tor the Construction and Equipment of Ships carrying Dangerous Chemicals in Bulk" uitgegeven door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).
Identificatienummer/stofnummer: het nummer voor de identificatie van een stof, waaraan geen UN-nummer is toegekend of die niet kan worden ingedeeld onder een verzamelaanduiding met een UN-nummer. Deze nummers bestaan uit vier cijfers en beginnen met een 9.
IEC: International Electro technical Commission (Internationale Commissie voor Elektrotechniek).
IMDG Code: de “International Maritime Dangerous Goods Code”, uitvoeringsbepalingen voor Hoofdstuk VII, deel A van het Internationale Verdrag voor de Veiligheid van Mensenlevens op Zee van 1974 (SOLAS-verdrag), uitgegeven door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) te London.
IMSBC Code: de "International Maritime Solid Bulk Cargoes Code", de regeling inzake losgestorte vaste lading van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO).
Indeling van explosiegevaarlijke gebieden: (zie Richtlijn 1999/92/EG *1)
- zone 0: Gebieden, waarin een explosieve atmosfeer als mengsel van lucht en brandbare gassen, dampen of nevel voortdurend, langdurig of vaak aanwezig is.
- zone 1: Gebieden, waarin zich onder normale bedrijfsomstandigheden regelmatig een explosieve atmosfeer als mengsel van lucht en brandbare gassen, dampen of nevel kan vormen.
- zone 2: Gebieden, waarin onder normale bedrijfsomstandigheden een explosieve atmosfeer als mengsel van lucht en brandbare gassen, dampen of nevel niet of slechts kortstondig optreedt.
Zie ook Zone-indeling.
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309.
Inhoud van het reservoir of compartiment van het reservoir voor tanks: het totale inwendige volume van het reservoir of het compartiment van het reservoir, uitgedrukt in liters of kubieke meters. Indien het niet mogelijk is het reservoir of het compartiment van het reservoir volledig te vullen in verband met de vorm of de constructie daarvan, moet deze gereduceerde inhoud worden gebruikt voor de bepaling van de vullingsgraad en de kenmerking van de tank.
Inrichting om de ladingtanks op veilige wijze drukloos te maken: een met de hand of op afstand bedienbare inrichting die zodanig is aangebracht dat het drukloos maken van de ladingtanks op veilige wijze mogelijk is. Als de scheepsstoffenlijst als bedoeld in 1.16.1.2.5 stoffen bevat, waarvoor in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming wordt vereist, moet de inrichting zo zijn uitgevoerd dat deze deflagratie- en duurbrandveilig is voor de meest kritische stof van de scheepsstoffenlijst. De deflagratieveiligheid moet conform de internationale norm ISO 16852:2016 zijn beproefd en er moet worden aangetoond dat zij aan de van toepassing zijnde eisen voldoet (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EU, *1 het IECEx-systeem, *2 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig). De deflagratieveiligheid kan worden gewaarborgd met behulp van een ingebouwd vlamkerend rooster dat of een vlamkerende inrichting die bestand is tegen een duurbrand (bescherming tegen deflagraties).
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.
Intermediate Bulk Container (IBC): stijve of flexibele transportverpakking die niet in hoofdstuk 6.1 van het ADR is genoemd en die:
- een inhoud heeft van
- ten hoogste 3,0 m3 voor vaste stoffen en vloeistoffen van de verpakkingsgroepen II en III.
- ten hoogste 1,5 m3 voor vaste stoffen van verpakkingsgroep I, verpakt in flexibele IBC's, IBC's van stijve kunststof, combinatie-IBC's, kartonnen IBC's of houten IBC's.
- ten hoogste 3,0 m3 voor vaste stoffen van verpakkingsgroep I, verpakt in metalen IBC's.
- ten hoogste 3,0 m3 voor radioactieve stoffen van klasse 7,
- ontworpen is voor behandeling met mechanische hulpmiddelen.
- de belastingen bij de behandeling en het vervoer kan doorstaan, zoals door beproevingen volgens hoofdstuk 6.5 van het ADR vastgesteld.
(Zie ook Combinatie-IBC met binnenhouder van kunststof, Flexibele IBC, Houten IBC, IBC van stijve kunststof, Kartonnen IBC, Metalen IBC).
Opmerking 1: Transporttanks of tankcontainers, die voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 6.7 of 6.8, van het ADR worden niet als IBC’s beschouwd.
Opmerking 2: IBC’s, die voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 6.5 van het ADR, worden niet als containers in de zin van het ADN beschouwd.
Internationale Regelingen: zie ADR, IMSBC Code, ICAO-TI, IMDG Code of RID.
J
Jerrycan: een verpakking van metaal of kunststof met een rechthoekige of veelhoekige doorsnede, voorzien van één of meer openingen.
K
Kartonnen IBC: een IBC bestaande uit een verpakkingslichaam van karton met of zonder gescheiden deksel of bodem, zo nodig voorzien van een binnenzak (maar geen binnenverpakkingen), alsmede uit de bijbehorende bedrijfsuitrusting en constructieve uitrusting.
Ketelruimte: een ruimte waarin een op brandstof werkende installatie is ondergebracht die is ontworpen om stoom te produceren of een thermische vloeistof te verwarmen.
Kist (doos): een verpakking met rechthoekige of veelhoekige dichte wanden, van metaal, hout, gelamineerd hout, houtvezelmateriaal, karton, kunststof of van een ander geschikt materiaal. Teneinde de behandeling of het openen te vergemakkelijken, of om te voldoen aan de classificatiecriteria mogen kleine openingen zijn aangebracht, voor zover de ongeschonden staat van de verpakking gedurende het vervoer hierdoor niet wordt aangetast.
Kleine container: zie Container.
Kofferdam:
een dwarsscheeps liggende afdeling van het schip die door waterdichte schotten wordt begrensd en die geïnspecteerd kan worden. De kofferdam moet het gehele oppervlak van de eindschotten van de ladingtanks beslaan. Het van de ladingzone afgewende schot (buitenste kofferdamschot) moet van scheepshuid tot scheepshuid en van scheepsbodem tot dek in één spantvlak zijn aangebracht.
Korf: een buitenverpakking met een opengewerkt oppervlak.
Kritieke temperatuur: de temperatuur waarbij noodmaatregelen in werking moeten treden, indien de temperatuur niet meer beheerst wordt.
Kritische temperatuur: de temperatuur waarboven de stof niet in vloeibare toestand kan bestaan.
Kwaliteitsborging: een systematisch controle- en inspectieprogramma, dat door iedere betrokken organisatie of instantie toegepast wordt met het doel te garanderen dat de in het ADN voorgeschreven veiligheidsvoorschriften in de praktijk in acht worden genomen.
L
Laadeenheid (Cargo Transport Unit, CTU): een voertuig, een wagen, een container, een tankcontainer, een transporttank of een MEGC.
Laadleidingen: zie Laad- en losleidingen
Laad- en losleidingen: alle leidingen waarin zich vloeibare of gasvormige lading kan bevinden, inclusief pijpen, slangassemblages, bijbehorende pompen, filters en afsluitinrichtingen.
Laadruim: een naar voor en achter door schotten begrensd, open of door middel van luiken gesloten deel van het schip, dat voor het vervoer van goederen in colli of los gestort is bestemd. De bovenste begrenzing van het laadruim is de bovenzijde van de denneboom. Lading, die boven de denneboom uitsteekt, geldt als zijnde aan dek gestuwd.
Laadruim (gelost): een laadruim dat na het lossen nog restanten van droge lading kan bevatten.
Laadruim (leeg): een laadruim dat na het lossen geen restanten van droge lading meer bevat (uitgeveegd).
Laden: alle door de belader verrichte handelingen die onder de definitie van “belader” vallen.
Ladingrestanten: vloeibare lading die niet uit de ladingtank of de ladingleidingen verwijderd kan worden door het nalenssysteem.
Ladingtank: een met het schip vast verbonden tank die bestemd is voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
Ladingtank (uitvoering):
- Druktank: een van de scheepsromp onafhankelijke ladingtank die is gebouwd overeenkomstig speciale erkende normen voor een werkdruk van 400 kPa of meer.
- Gesloten ladingtank: een ladingtank die in verbinding staat met de buitenlucht via een inrichting die ontoelaatbare inwendige over- of onderdruk verhindert.
- Open ladingtank met vlamkerende inrichting: een ladingtank die in open verbinding staat met de buitenlucht via een inrichting die is voorzien van een vlamkerende inrichting.
- Open ladingtank: een ladingtank die in open verbinding staat met de buitenlucht.
Ladingtank (type):
- Ladingtank (onafhankelijk): een van de scheepsconstructie onafhankelijke, vast ingebouwde ladingtank.
- Ladingtank (geïntegreerd): een ladingtank die wordt gevormd door de constructie van het schip zelf en wordt begrensd door de scheepshuid of door wanden die los staan van de scheepshuid.
- Ladingtank (wand niet de scheepshuid): een geïntegreerde ladingtank waarvan de bodem en zijwanden niet de huid vormen van het schip, of een onafhankelijke ladingtank.
- Membraantank: een tank bestaande uit een dunne vloeistof- en gasdichte laag (membraan) en isolatiemateriaal, ondersteund door de naastliggende binnenste wand en de bovenzijde van de dubbele bodem van een dubbelwandig schip
Ladingtank (gelost): een ladingtank die na het lossen mogelijk nog enige ladingrestanten bevat.
Ladingtank (leeg): een ladingtank die na het lossen geen ladingrestanten meer bevat, maar mogelijk niet gasvrij is.
Ladingtank (gasvrij): een ladingtank die na het lossen geen ladingrestanten en meetbare concentratie gevaarlijke gassen en dampen meer bevat.
Ladingtankruimte: een naar voor en achter door waterdichte schotten begrensd, gesloten deel van het schip, hetwelk slechts bestemd is voor opname van onafhankelijke ladingtanks.
Ladingverwarmingsmogelijkheid: een inrichting voor het verwarmen van de lading in de ladingtanks met behulp van een verwarmingsmedium. Het verwarmingsmedium kan worden verwarmd met behulp van een ketel aan boord van het tankschip (ladingverwarmingsinstallatie overeenkomstig 9.3.2.42 of 9.3.3.42) of vanaf de wal.
Ladingzone: het totaal van de volgende ruimten aan boord van tankschepen:
Ruimte onder het dek:
de ruimte, gelegen tussen twee verticale vlakken loodrecht op het langsscheepse vlak van het schip, die de ladingtanks, de ladingtankruimten, de kofferdammen, de zijtanks en de dubbele bodems omvat, waarbij deze vlakken in de regel samenvallen met de buitenste kofferdamschotten of met de schotten die de ladingtankruimte begrenzen.
Ruimte boven het dek: de ruimte die begrensd is:
- dwarsscheeps door verticale vlakken, die met de huidbeplating samenvallen.
- in de lengterichting van het schip, door verticale vlakken, ter hoogte van de buitenste kofferdamschotten/de schotten die de ladingtankruimte begrenzen.
- in de hoogte door een 2,5 m boven dek gelegen horizontaal vlak.
De begrenzingsvlakken in de lengterichting van het schip worden "begrenzingsvlakken van de ladingzone" genoemd.
Lekveiligheidsplan: het plan dat de grenzen aangeeft van de waterdichte compartimenten dat als basis dient voor de stabiliteitsberekening, in het geval van een lek, de trimvoorzieningen voor de correctie van een door het binnendringen van water veroorzaakte slagzij en de afsluitinrichtingen die tijdens de vaart gesloten moeten worden gehouden.
Levensduur, voor flessen en grote cilinders van samengestelde constructie: het toegestane aantal gebruiksjaren van een fles of grote cilinder.
Lichte metalen verpakking: een verpakking met cirkelvormige, elliptische, rechthoekige of veelhoekige doorsnede (ook kegelvormig), alsmede een verpakking met een kegelvormig bovenstuk of in de vorm van een emmer, vervaardigd van metaal met een wanddikte van minder dan 0,5 mm (bijv. blik), met platte of gewelfde bodem, en voorzien van één of meer openingen en niet vallend onder de definities voor vaten en jerrycans.
LNG: zie Vloeibaar gemaakt aardgas.
Los gestort vervoer: zie Vervoer als los gestort goed.
Lossen: alle door de losser verrichte handelingen die onder de definitie van “losser” vallen.
Losser: elke onderneming die:
- een container, bulkcontainer, MEGC, tankcontainer of transporttank van een vervoermiddel afneemt, of
- verpakte gevaarlijke stoffen, kleine containers of transporttanks uit of van een vervoermiddel of een container laadt, of
- gevaarlijke stoffen lost uit een ladingtank, tankwagen, afneembare tank, transporttank of tankcontainer. of uit een batterijwagen, batterijvoertuig, MEMU of MEGC, of uit een vervoermiddel voor vervoer als los gestort goed, een grote container of kleine container voor vervoer als los gestort goed of een bulkcontainer, of
- een voertuig of wagen van een schip afneemt.
M
Machinekamer: een ruimte waar verbrandingsmotoren zijn geïnstalleerd.
Massa van een collo: tenzij anders is bepaald, de bruto massa van het collo. De massa van containers, tanks, voertuigen en wagens, die bij het vervoer van goederen worden gebruikt, is niet in de bruto massa begrepen.
Metalen IBC: een IBC bestaande uit een verpakkingslichaam van metaal met de bijbehorende bedrijfsuitrusting en constructieve uitrusting.
Met dekzeil uitgeruste bulkcontainer: zie Bulkcontainer.
Met dekzeil uitgeruste container: zie Container.
Moeilijk ontvlambaar: een materiaal dat zelf of waarvan ten minste het oppervlak moeilijk ontbrandbaar is en dat het uitbreiden van een brand op adequate wijze beperkt. Als testprocedures voor het vaststellen van het moeilijk ontvlambaar zijn worden de IMO Resolutie A.653(16) of gelijkwaardige voorschriften van de Overeenkomstsluitende Staten erkend.
Monstername-inrichting (gesloten): een monstername-inrichting, die door de ladingtankwand of de laad- of losleiding wordt gevoerd, doch deel van een gesloten systeem is, en zodanig is uitgevoerd, dat tijdens het nemen van monsters geen gassen of vloeistoffen naar buiten kunnen treden.
Monstername-inrichting (deels gesloten): een monstername-inrichting, die door de ladingtankwand of de laad- of losleiding wordt gevoerd is en zodanig is uitgevoerd, dat tijdens het nemen van monsters slechts een geringe hoeveelheid gasvormige of vloeibare lading in de atmosfeer komt. Indien zij niet wordt gebruikt moet de inrichting volledig gesloten zijn.
Monsternameopening: een afsluitbare opening van de ladingtank met een diameter van ten hoogste 0,30 m. Als de scheepsstoffenlijst als bedoeld in 1.16.1.2.5 stoffen bevat, waarvoor in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming wordt vereist, moet de opening zo zijn uitgevoerd dat deze deflagratie- en duurbrandveilig voor de meest kritische stof van de scheepsstoffenlijst is en zo zijn ontworpen dat de openingsduur zo kort mogelijk is en niet zonder invloed van buitenaf open kan blijven. Andere openingen in ladingtanks, met uitzondering van tankdeksels, worden beschouwd als een monsternameopening indien zij voldoen aan de bovengenoemde voorschriften.
De deflagratieveiligheid moet conform de internationale norm ISO 16852:2016 zijn beproefd en er moet worden aangetoond dat zij aan de van toepassing zijnde eisen voldoet (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EU, *1 het IECEx-systeem, *2 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig). De deflagratieveiligheid kan worden gewaarborgd met een ingebouwd vlamkerend rooster dat bestand is tegen een duurbrand of een vlamkerende inrichting die bestand is tegen een duurbrand (bescherming tegen deflagraties).
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.
Motor met brandstofcel: inrichting die wordt gebruikt om materieel aan te drijven en die bestaat uit een brandstofcel en de bijbehorende brandstoftoevoer, ofwel een onderdeel daarvan, dan wel gescheiden van de brandstofcel, en die alle toebehoren omvat om te voldoen aan het functioneren ervan.
N
Nalenssysteem (efficiënt stripping): een systeem volgens Bijlage II van het CDNI voor het zo veel mogelijk ledigen van de ladingtanks en het strippen van de laad- en losleidingen tot op de niet lensbare overblijfselen van de lading.
N.e.g.-positie (niet elders genoemd-positie): een verzamelaanduiding, waaronder stoffen, mengsels, oplossingen of voorwerpen kunnen worden ingedeeld, die
- in hoofdstuk 3.2, Tabel A niet met name zijn genoemd, en
- chemische, fysische en/of gevaarseigenschappen bezitten, die overeenkomen met de klasse, de classificatiecode, de verpakkingsgroep en de benaming van de n.e.g.-positie.
Netto massa ontplofbare stof: de totale massa van de ontplofbare stoffen, zonder de verpakkingen, omhulsels, enz. (De begrippen “netto ontplofbare hoeveelheid”, “netto ontplofbare inhoud”, “netto ontplofbaar gewicht” en “netto massa van ontplofbare inhoud” worden vaak in dezelfde betekenis gebruikt.).
Neutronenstralingdetector: een inrichting waarmee neutronenstraling kan worden gedetecteerd. In een dergelijke inrichting kan een gas worden verzameld in een luchtdicht afgesloten buis waarin neutronenstraling wordt omgezet in een meetbaar elektrisch signaal.
O
Offshore-bulkcontainer: een container voor los gestorte goederen, die speciaal voor het herhaaldelijk gebruik voor het vervoer van gevaarlijke goederen van, naar en tussen buitengaatse (offshore-) inrichtingen is ontworpen. Een offshore-bulkcontainer wordt overeenkomstig de Richtlijnen voor de toelating van op open zee ingezette offshorecontainers, die door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) in document MSC/Circ. 860 vastgelegd zijn, geconstrueerd en gebouwd.
Omgebouwde grote verpakking: zie Grote verpakking.
Omspoten fles: een fles met een waterinhoud van ten hoogste 13 liter bestemd voor het vervoer van LPG, die vervaardigd is van een met coating voorziene gelaste stalen binnenfles met een omspoten beschermingshouder vervaardigd van niet-verwijderbare kunststof met celstructuur die op het buitenoppervlak van de stalen fleswand is aangebracht.
Onbeschermd licht: een lichtbron, waarbij gebruik gemaakt wordt van een vlam, die niet door een explosieveilig omhulsel is omsloten.
Onderdrukventiel: een automatisch werkend veiligheidsventiel ter bescherming van de ladingtank tegen een ontoelaatbare inwendige onderdruk. Als de scheepsstoffenlijst als bedoeld in 1.16.1.2.5 stoffen bevat, waarvoor in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming wordt vereist, moet het ventiel deflagratieveilig tegen een atmosferische explosie voor de meest kritische stof van de scheepsstoffenlijst zijn uitgevoerd. De deflagratieveiligheid moet conform de internationale norm ISO 16852:2016 *5 zijn beproefd en er moet worden aangetoond dat aan de van toepassing zijnde voorwaarden is voldaan (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform 2014/34/EU, *1 het IECEx-systeem, *2 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig). De deflagratieveiligheid kan worden gewaarborgd met behulp van een ingebouwd vlamkerend rooster of een vlamkerende inrichting (bescherming tegen deflagraties).
Opmerking: In het ADR worden zulke inrichtingen ter bescherming van tanks aangeduid als Vacuümklep.
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011
*5 Identiek aan EN ISO 16852:2016.
Onderneming: elke natuurlijke persoon, elke rechtspersoon met of zonder winstoogmerk, elke vereniging of groep van personen zonder rechtspersoonlijkheid en met of zonder winstoogmerk, alsmede elk onder de Naties 2011.
overheid ressorterend lichaam, ongeacht of het een eigen rechtspersoonlijkheid bezit of afhankelijk is van een autoriteit met rechtspersoonlijkheid.
Onderricht: de overdracht van praktische vaardigheden of het leren hoe iets moet worden gedaan of hoe te handelen. Deze overdracht of onderricht kan intern door personeel worden gegeven.
Onderste explosiegrens (OEG): de laagste concentratie van het explosiegebied waarbij een explosie mogelijk is.
Onderzoeksinstantie (keuringsinstelling): een door de bevoegde autoriteit erkende onafhankelijke instantie voor toezicht en controle.
Ontgassen: een handeling met als doel de concentratie gevaarlijke gassen en dampen in geloste of lege ladingtanks te verlagen door deze te laten ontsnappen in de atmosfeer of af te voeren naar ontvangstinrichtingen.
Ontstekingsbeschermingssoorten:
Elektrische inrichtingen, (zie IEC 60079-0:2017+Cor 1:2020 of ten minste gelijkwaardig).
EEx d: explosieveilige omhulling (IEC 60079-1:2014 Cor 1:2018 of ten minste gelijkwaardig).
EEx e: verhoogde veiligheid (IEC 60079-7:2016 A1:2017 of ten minste gelijkwaardig).
EEx ia en EEx ib: intrinsiek veilige stroomkring (IEC 60079-11:2011Cor:2012 of ten minste gelijkwaardig).
EEx m: ingegoten omhulling (IEC 60079-18:2014; A1:2017;Cor:2018 of ten minste gelijkwaardig).
EEx p: overdruk omhulling (IEC 60079-2:2014;Cor:2015 of ten minste gelijkwaardig).
EEx q: zandvulling (IEC 60079-5:2015 of ten minste gelijkwaardig).
Niet-elektrische inrichtingen (zie ISO 80079-36:2016 of ten minste gelijkwaardig).
EEx (fr): stromingsbeperkende omhulling (EN 13463-2:2005 of ten minste gelijkwaardig).
EEx (d): explosieveilige omhulling (EN 13463-3:2005 of ten minste gelijkwaardig).
EEx (c): constructieve veiligheid (ISO 80079-37:2016 of ten minste gelijkwaardig).
EEx (b): bewaking van ontstekingsbron (EN 13463-6:2005 of ten minste gelijkwaardig).
EEx (k): onderdompeling in vloeistof: (EN 13463-8:2003 of ten minste gelijkwaardig).
Ontvangstinrichting: een vaste of verplaatsbare inrichting voor de opvang van gassen en dampen bij het ontgassen van lege of geloste ladingtanks en laad- en losleidingen.
Ontwerpdruk: de druk op basis waarvan de ladingtank of de restladingtank ontworpen en gebouwd is.
Ontwerp (model), voor het vervoer van radioactieve stoffen: de beschrijving van de onder 2.2.7.2.3.5 (f) vrijgestelde splijtbare stoffen, van radioactieve stoffen in speciale toestand, van gering verspreidbare radioactieve stoffen, van een collo of een verpakking, die een duidelijke identificatie daarvan mogelijk maakt. De beschrijving kan bestaan uit specificaties, constructietekeningen, rapporten waaruit blijkt dat voldaan is aan de wettelijke voorschriften, alsmede andere ter zake doende documenten.
Ontwerplevensduur, voor flessen en grote cilinders van samengestelde constructie: de maximale levensduur (in jaren) waarvoor de fles of grote cilinder overeenkomstig de toepasselijke norm is ontworpen en goedgekeurd.
Ontwerponderdruk: de onderdruk, op basis waarvan de ladingtank of de restladingtank ontworpen of gebouwd is.
Open container: zie Container.
Open cryo-houder: een verplaatsbare thermisch geïsoleerde houder voor sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen, die op atmosferische drukt wordt gehouden door het doorlopend afblazen van het sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gas.
Openingsdruk: de druk als bedoeld in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (10) waarbij het overdruk-/snelafblaasventiel zich opent. Bij druktanks moet de openingsdruk van het veiligheidsventiel overeenkomen met de door de bevoegde autoriteit of een erkend classificatiebureau vastgestelde voorschriften.
Opleiding: scholing, cursussen of leergangen, die door een door de bevoegde autoriteit erkende instelling worden gegeven.
Opslagsysteem met metaalhydride: een enkelvoudig volledig opslagsysteem voor waterstof, met inbegrip van een drukhouder reservoir, metaalhydride, drukontlastingsinrichting, afsluiter, bedieningsuitrusting en inwendige bestanddelen, alleen gebruikt voor het vervoer van waterstof
Opsluitingssysteem: voor het vervoer van radioactieve stoffen: het samenstel van splijtbare stoffen en onderdelen van de verpakking volgens de specificatie van de ontwerper, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, met het doel de criticaliteitsveiligheid te waarborgen.
Overdrukventiel: een automatisch werkend veiligheidsventiel ter bescherming van de ladingtank tegen een ontoelaatbare inwendige overdruk.
Oververpakking: een omhulling die gebruikt wordt (door één enkele afzender in het geval van radioactieve stoffen) met het doel om één of meer colli te bevatten en een eenheid te vormen die tijdens het vervoer gemakkelijker kan worden behandeld en gestuwd.
Voorbeelden van oververpakkingen zijn:
- een laadplateau, zoals een pallet waarop meerdere colli worden geplaatst of gestapeld en die door banden van kunststof, krimp- of rekfolie of andere geschikte middelen worden vastgezet, of
- een beschermende buitenverpakking zoals een kist of een krat.
P
Peilopening: een afsluitbare opening van de restladingtanks met een diameter van ten hoogste 0,10 m. De peilopening moet zo zijn uitgevoerd dat de vullingsgraad met behulp van een peilstok gemeten kan worden.
Pompkamer: een dienstruimte waarin de laad-, los- en de nalenspompen met hun betreffende installaties voor het transporteren van stoffen vanuit de ladingtanks zijn ondergebracht.
Portable tank: zie Transporttank.
R
Radioactieve inhoud: voor het vervoer van radioactieve stoffen: de radioactieve stoffen tezamen met alle besmette of geactiveerde vaste stoffen, vloeistoffen en gassen in de verpakking.
Reddingsboot: een bemande en speciaal uitgeruste boot die wordt gebruikt om mensen te redden die in gevaar zijn, of om hen tijdig te evacueren rekening houdend met de door een vluchtoord of veilige zone geboden periode van bescherming.
Reddingslier: een apparaat, waarmee personen uit ladingtanks, kofferdammen en zijtanks gered kunnen worden. Het apparaat moet door één persoon te bedienen zijn.
Relatieve dichtheid (of specifieke dichtheid): geeft de verhouding weer van de dichtheid van een stof tot de dichtheid van zuiver water bij 3,98 °C (1.000 kg/m3) en is zonder getal.
Reservoirwagen: een wagen voor het vervoer van vloeibare, gasvormige, poedervormige of korrelvormige stoffen, die bestaat uit een opbouw met één of meer tanks, daaronder begrepen de uitrustingsdelen en een onderstel voorzien van eigen uitrustingsdelen (loopwerk, vering, stoot- en trekwerk, remmen en opschriften).
Opmerking: Onder reservoirwagens vallen ook wagens met afneembare tanks.
Restlading: vloeibare lading, die na het lossen, zonder gebruikmaking van een nalenssysteem, als rest in de ladingtank of het leidingsysteem achterblijft.
S
Samengeperst aardgas (Compressed Natural Gas - CNG): een samengeperst gas bestaande uit aardgas met een hoog methaangehalte, ingedeeld onder UN-nr. 1971.
Samengestelde verpakking: een samenstel van verpakkingen, ten behoeve van vervoersdoeleinden, bestaande uit één of meer binnenverpakkingen, die volgens 4.1.1.5 van het ADR in een buitenverpakking zijn geplaatst.
Opmerking: De term “binnenverpakking”, die voor samengestelde verpakkingen wordt gebruikt, moet niet worden verward met de term “binnenhouder”, die voor “combinatieverpakkingen” wordt gebruikt.
Scheepsbedrijfsafval (olie- en vethoudend): afgewerkte olie, bilgewater en ander olie- en vethoudend afval zoals afgewerkt vet, gebruikte filters, gebruikte poetslappen, vaten en verpakkingsmateriaal van dit afval.
Scheepsdossier: een document dat alle belangrijke technische gegevens over een schip of duwbak bevat, zoals bouwbescheiden en uitrustingspapieren.
Scheepstypen:
Type G: een tankschip dat bestemd is voor het vervoer van gassen onder druk of in gekoelde toestand.
Type C: een tankschip dat bestemd is voor het vervoer van vloeistoffen. Het schip moet als dubbelwandig gladdekschip, met zijtanks, dubbele bodem en zonder trunk zijn uitgevoerd, waarbij de ladingtanks door de scheepsconstructie worden gevormd of als onafhankelijke ladingtanks in de ladingtankruimten opgesteld kunnen zijn.
Type N: een tankschip, dat bestemd is voor het vervoer van vloeistoffen.
Schets: (bijvoorbeeld)
Type G :
|
Type G |
Type G |
|
Type G |
Type G |
|
Type C |
Type C |
|
Type C |
|
|
Type N |
Type N |
|
Type N |
Type N |
|
Type N |
|
Type N gesloten: een tankschip dat bestemd is voor het vervoer van vloeistoffen in gesloten ladingtanks.
Type N open: een tankschip, dat bestemd is voor het vervoer van vloeistoffen in open ladingtanks.
Type N open met vlamkerende inrichtingen: Een tankschip dat bestemd is voor het vervoer van vloeistoffen in open ladingtanks, waarbij de openingen van de ladingtanks naar de buitenlucht zijn voorzien van een vlamkerende inrichting, die bestand is tegen een langdurige brand.
Schip: een binnenvaartschip of een zeeschip.
Schipper: een persoon zoals gedefinieerd in artikel 1.02 van de Europese Code voor de Binnenwateren (CEVNI).
Schot: een, doorgaans verticale, metalen wand, waarvan beide zijden zich binnen het schip bevinden en die door de bodem, de scheepshuid, een dek, de luiken of een ander schot wordt begrensd.
Schot (waterdicht): een schot geldt als waterdicht, wanneer het zodanig is geconstrueerd, dat het
- in een droge lading schip een waterdruk van 1,00 m boven dek, echter ten minste tot de bovenzijde van de denneboom, en
- in een tankschip een waterdruk van 1,00 m boven dek kan weerstaan.
Slang: een flexibel, buisvormig halfproduct van elastomeer, thermoplast of roestvrij staal bestaande uit een of meer bekledingen en voeringen.
Slangassemblage: een slang die aan beide uiteinden in slangfittingen vastgezet of gelast is. slangfittingen moeten zodanig gemonteerd zijn dat zij alleen met gereedschap kunnen worden losgemaakt.
Slangkoppeling: een aansluitstuk of verbindingselement voor slangen.
Sludge: oliehoudend afval afkomstig van de normale bedrijfsvoering van een zeeschip, zoals restanten van de brandstof voor de hoofdmotoren of het hulpbedrijf, oliehoudend afval uit de separatoren of uit oliefilters, of restanten van hydraulische olie en smeerolie.
Opmerking: in het ADN omvat de definitie van MARPOL ook restanten van de behandeling van bilgewater aan boord van zeeschepen.
Slobs: een mengsel van ladingrestanten en waswater, roest of slik dat ofwel geschikt dan wel ongeschikt is om te worden verpompt.
Sluiting: een voorziening die ertoe dient de opening van een houder te sluiten.
Snelafblaasventiel: een overdrukventiel, dat ontworpen is voor een genormeerde stroomsnelheid die boven de vlamsnelheid van het explosieve mengsel ligt en op die wijze een vlamdoorslag verhindert. Als de scheepsstoffenlijst als bedoeld in 1.16.1.2.5 stoffen bevat, waarvoor in hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming wordt vereist, moet deze drukontlastingsinrichting conform de internationale norm ISO 16852:2016 *5 zijn beproefd en er moet worden aangetoond dat de inrichting aan de van toepassing zijnde eisen voldoet (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EU, *1 het IECEx-systeem, *2 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig).
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.
*5 Identiek aan EN ISO 16852:2016.
Spatwaterdicht: betekent dat constructiedelen of inrichtingen zo zijn uitgevoerd dat zij onder normale omstandigheden slechts een verwaarloosbare hoeveelheid water doorlaten.
Spilrand: een aan dek, evenwijdig aan de huidbeplating, aangebrachte rand met afsluitbare openingen die voorkomt dat vloeistoffen over boord vloeien. De verbinding met de veiligheidsdrempel, indien aangebracht, moet vloeistofdicht zijn.
Spoel (klasse 1): een inrichting van kunststof, hout, karton, metaal of van een ander geschikt materiaal die bestaat uit een centrale spindel en eventuele zijwanden aan elk uiteinde van de spindel. De voorwerpen en de stoffen moeten kunnen worden opgerold op de spindel en in voorkomend geval vastgehouden worden door de zijwanden.
Spuitbus (aërosol): elk voorwerp bestaande uit een niet hervulbare houder van metaal, glas of kunststof, die aan de voorschriften van 6.2.4 van het ADR of het RID voldoet, die een samengeperst, vloeibaar gemaakt of onder druk opgelost gas, al dan niet met een vloeibare, pasteuze of poedervormige stof bevat, en voorzien van een aftapinrichting, die het mogelijk maakt dat de inhoud wordt uitgestoten in de vorm van een suspensie van vaste of vloeibare deeltjes in een gas, in de vorm van schuim, pasta of poeder, of in vloeibare of gasvormige toestand.
Spuitwaterdichte elektrische inrichting: een elektrische inrichting, die zodanig is geconstrueerd dat een door een straalpijp vanuit een willekeurige richting gespoten waterstraal geen schade veroorzaakt. De beproevingsvoorwaarden zijn in de IEC-publicatie 60529 +A1:1999 +A2:2013, minimum beschermingsgraad IP 55, vastgelegd.
Stijve binnenhouder (voor combinatie-IBC's): een stijve houder van kunststof die zijn normale vorm in lege toestand behoudt zonder dat de sluitingen zich op de juiste plaats bevinden en zonder steun van de uitwendige omhulling.
Stofdichte verpakking: een verpakking die geen droge inhoud doorlaat met inbegrip van poedervormige vaste stoffen die tijdens het vervoer zijn ontstaan.
Stralingsdetectiesysteem: een inrichting waarvan de onderdelen onder meer bestaan uit stralingsdetectoren.
T
Tank: een reservoir met inbegrip van de bedrijfsuitrusting en de constructieve uitrusting. Indien deze term zonder nadere aanduiding wordt gebruikt omvat deze tankcontainer, transporttank, afneembare tank, vaste tank of reservoirwagen, zoals gedefinieerd in deze sectie, alsmede tanks als elementen van batterijwagens of van MEGC’s. (zie ook Afneembare tank, Gascontainer met verscheidene elementen, Transporttank en Vaste tank.)
Opmerking: Voor transporttanks, zie hoofdstuk 6.7.4.1 van het ADR.
Tankcontainer: een hulpmiddel bij het vervoer, dat voldoet aan de definitie van container en dat bestaat uit een reservoir en uitrustingsdelen, daaronder begrepen de uitrustingsdelen die verplaatsing van de tankcontainer mogelijk maken zonder een aanmerkelijke wijziging te brengen in de ligging van de tankcontainer in de evenwichtstoestand en dat gebruikt wordt voor het vervoer van gassen, vloeibare, poedervormige of korrelvormige stoffen, en met een inhoud groter dan 0,45 m3 (450 liter) indien deze voor het vervoer van gassen zoals gedefinieerd in 2.2.21.1 wordt gebruikt.
Bovendien:
Extra grote tankcontainer: een tankcontainer met een capaciteit van meer dan 40.000 liter.
Opmerking: IBC’s, die voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 6.5 van het ADR, worden niet beschouwd als tankcontainers.
Tankdossier: een dossier dat alle belangrijke technische informatie van een tank, een batterijwagen (weg), een batterijwagen (spoor) of een MEGC omvat, zoals de certificaten, genoemd in 6.8.2.3, 6.8.2.4 en 6.8.3.4 van het ADR.
Tankschip: een schip dat gebouwd is voor het vervoer van stoffen in ladingtanks.
Tank voor restproducten: een permanent ingebouwde tank, bedoeld om restlading, waswater, ladingrestanten of slobs die geschikt zijn voor verpomping te verzamelen.
Tankwagen: een voertuig, gebouwd om vloeistoffen, gassen, poedervormige of korrelvormige stoffen te vervoeren en uitgerust met één of meer vaste tanks. Behalve het voertuig zelf of in plaats daarvan het onderstel, bestaat een tankwagen uit één of meer reservoirs, de uitrustingsdelen en de delen ter bevestiging van de reservoirs aan het voertuig of het onderstel.
Technische benaming: een erkende chemische benaming, voor zover van toepassing een erkende biologische benaming, of andere benaming die gewoonlijk in wetenschappelijke en technische handboeken, tijdschriften en artikelen gebruikt wordt (zie 3.1.2.8.1.1).
Technische instructies van de ICAO: de “Technical Instructions for the Safe Transport of Dangerous Goods by Air”, ter aanvulling van Aanhangsel 18 bij het Verdrag van Chicago voor het internationale burger-luchtvaartverkeer (Chicago, 1944), uitgegeven door de Internationale Organisatie voor de Burgerluchtvaart (ICAO), Montreal.
Temperatuurklasse: indeling van de brandbare gassen en de dampen van brandbare vloeistoffen naar hun ontstekingstemperatuur alsmede van de voor het gebruik in explosiegevaarlijke gebieden toegelaten apparaten overeenkomstig hun hoogste oppervlaktetemperatuur (zie EN 13237:2012).
Transporteenheid: een motorvoertuig, waaraan geen aanhangwagen of oplegger is gekoppeld, en elk geheel, bestaande uit een motorvoertuig en de aanhangwagen of de oplegger, die daaraan is gekoppeld.
Transportindex (TI) toegekend aan een collo, oververpakking of container, dan wel aan een onverpakte LSA-I stof of SCO-I of SCO-III, voor het vervoer van radioactieve stoffen: een getal dat wordt gebruikt om controle te verschaffen over de blootstelling aan straling.
Transporttank: een multimodale tank die, indien deze voor het vervoer van gassen, zoals gedefinieerd in 2.2.2.1.1, wordt gebruikt, een inhoud van meer dan 450 liter heeft, en die overeenkomt met de definitie in hoofdstuk 6.7 van het ADR of in de IMDG Code en die in hoofdstuk 3.2 van het ADR, tabel A, kolom (10), met een transporttank-instructie (T-code) is aangeduid.
Tray (klasse 1): een schaal van metaal, kunststof, karton of ander geschikt materiaal, geplaatst in de binnen-, tussen- of buitenverpakkingen en die een compacte stuwage in deze verpakkingen mogelijk maakt. Het oppervlak van de trays mag zodanig zijn gevormd, dat de verpakkingen of de voorwerpen daarin ingezet, veilig vastgehouden en onderling gescheiden kunnen worden.
Tussenverpakking: een verpakking die zich bevindt tussen binnenverpakkingen of voorwerpen en een buitenverpakking.
U
UN-nummer: viercijferig nummer, bedoeld als identificatienummer van stoffen of voorwerpen overeenkomstig de VN-modelbepalingen.
V
Vacuümklep: Zie Onderdrukventiel.
Vaste stof:
- een stof met een smeltpunt of een beginsmeltpunt hoger dan 20 °C bij een druk van 101,3 kPa, of
- een stof die volgens de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 niet vloeibaar is en die volgens de criteria van de in 2.3.4 beschreven beproevingsmethode voor de bepaling van het vloeigedrag (penetrometermethode) dikvloeibaar is.
Vaste tank: een tank met een capaciteit groter dan 1000 liter, die blijvend gemonteerd is op een voertuig (dat aldus een tankwagen wordt) of op een wagen (die aldus een reservoirwagen wordt) of die een integrerend deel van het chassis van een dergelijk voertuig of wagen uitmaakt.
Vat: een cilindrische verpakking van metaal, karton, kunststof, gelamineerd hout of van een ander geschikt materiaal, met platte of gewelfde bodem. Onder deze definitie vallen ook verpakkingen met een andere vorm, bijv. ronde verpakkingen met een kegelvormig bovenstuk of verpakkingen in de vorm van een emmer. Houten tonnen en jerrycans vallen niet onder deze definitie.
Veilige zone: een speciaal aangewezen en herkenbare zone buiten de ladingzone die door alle opvarenden direct kan worden betreden. De veilige zone biedt ten minste 60 minuten lang bescherming tegen de vastgestelde gevaren van de lading door middel van een watersproeisysteem. De veilige zone kan tijdens een incident worden ontruimd. Een veilige zone is niet toegelaten indien het vastgestelde gevaar een explosie betreft.
Veiligheidsadviseur: een persoon die in een onderneming, waarvan de activiteiten het vervoer of het daarmee samenhangende verpakken, beladen, vullen of lossen van gevaarlijke goederen over de binnenwateren omvat, verantwoordelijk is om te helpen bij de preventie van risico's aan het vervoer van gevaarlijke goederen verbonden.
Veiligheidsbril of veiligheidsmasker: een bril of gelaatsbescherming die de ogen of het gezicht van de drager beschermt tijdens het werk in een gevarenzone. De keuze van een geschikte bril of maskers moet overeenkomen met de gevaren die zich waarschijnlijk voordoen. Zie voor beschermende brillen of maskers bijvoorbeeld de Europese Norm EN 166:2001.
Veiligheidsdrempel, vloeistofdicht: een op het dek ter hoogte van het buitenste ladingtankschot (zie schets zone-indeling), ten hoogste echter 0,60 m vanaf het buitenste kofferdamschot of de begrenzingsschotten van de ladingtankruimten, aangebrachte vloeistofdichte drempel die voorkomt dat vloeistof in de richting van het voor- of achterschip kan stromen. De verbinding met de spilranden moet vloeistofdicht zijn.
Veiligheidshandschoenen: Handschoenen die de handen van de drager beschermen tijdens het werk in een gevarengebied. De keuze van geschikte handschoenen moet overeenkomen met de gevaren die zich waarschijnlijk voordoen (zie bijvoorbeeld de Europese norm EN 374-1:2016, EN 374-2:2015 of EN 374-4:2013). Bij risico’s als gevolg van elektrostatische op- of ontlading moeten de handschoenen voldoen aan de eisen die worden gesteld in de Europese Norm EN 16350:2015.
Veiligheidskleding: kleding die het lichaam van de drager beschermt tijdens het werk in een gevarenzone. De keuze van een geschikt beschermend pak moet overeenkomen met de gevaren die zich waarschijnlijk voordoen. Zie voor beschermende pakken bijvoorbeeld ISO 13688:2013. Bij risico’s als gevolg van elektrostatische op- of ontlading, zie ook de Europese norm EN 1149-5:2018.
Veiligheidsklep: een door druk automatisch werkende inrichting ter bescherming van de tank tegen een ontoelaatbare inwendige overdruk of onderdruk (zie ook snelafblaasventiel, overdrukventiel en onderdrukventiel).
Veiligheidsschoenen (of veiligheidslaarzen): schoenen of laarzen die de voeten van de drager beschermen tijdens het werk in een gevarenzone. De keuze van geschikte beschermende schoenen of laarzen moet overeenkomen met de gevaren die zich waarschijnlijk voordoen, met name de gevaren als gevolg van elektrostatische op- of ontlading, en voldoen aan de voorschriften van de internationale norm ISO 20345:2012 of ISO 20346:2014.
Veiligheidswand (gas- en vloeistofdicht): een aan dek ter hoogte van het begrenzingsvlak van de ladingzone aangebrachte gas- en vloeistofdichte wand, die voorkomt dat gassen en vloeistoffen in gebieden buiten de ladingzone kunnen komen.
Verblijftijd: de tijd die verstrijkt tussen het starten van het vullen en het moment dat de druk in de tank als gevolg van opwarming is gestegen tot de laagste openingsdruk van de drukbegrenzer(s) van tanks die voor het vervoer van sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen zijn bestemd.
Opmerking: Voor transporttanks, zie hoofdstuk 6.7.4.1 van het ADR.
Verpakker: de onderneming die de gevaarlijke goederen in verpakkingen, met inbegrip van grote verpakkingen en IBC’s, vult en zo nodig de colli voor het vervoer voorbereidt.
Verpakking: een of meer houders en alle andere bestanddelen of materialen die nodig zijn om het mogelijk te maken dat de houder zijn functie van omsluiting en andere veiligheidsfuncties vervult.
(Zie ook Bergingsverpakking, Binnenverpakking, Buitenverpakking, Combinatieverpakking, Gereconditioneerde verpakking, Grote verpakking, IBC, Hergebruikte verpakking, Lichte metalen verpakking, Omgebouwde verpakking, Samengestelde verpakking, Stofdichte verpakking en Tussenverpakking.)
Verpakkingsgroep: een groep, waarin bepaalde stoffen op grond van hun gevaarlijkheid tijdens het vervoer zijn ingedeeld voor verpakkingsdoeleinden. De verpakkingsgroepen hebben de volgende betekenis, die in Deel 2 nader wordt verklaard:
- verpakkingsgroep I: zeer gevaarlijke stoffen
- verpakkingsgroep II: gevaarlijke stoffen
- verpakkingsgroep III: minder gevaarlijke stoffen.
Verpakkingslichaam (voor alle categorieën IBC’s met uitzondering van combinatie-IBC's): de eigenlijke houder met inbegrip van de openingen en hun sluitingen, echter zonder de bedrijfsuitrusting.
Vervoer: de verplaatsing van gevaarlijke goederen, met inbegrip van voor het vervoer noodzakelijk oponthoud en met inbegrip van voor het verkeer noodzakelijk verblijf van gevaarlijke goederen in de schepen, voertuigen, wagens, tanks en in de containers vóór, tijdens en na de verplaatsing.
Onder deze definitie valt ook de tijdelijke tussenopslag van gevaarlijke goederen voor de verandering van wijze van vervoer of vervoermiddel (overslag). Dit is van toepassing onder voorwaarde dat de vervoersdocumenten, waaruit de plaats van verzending en bestemming blijken, op verzoek kunnen worden getoond en dat de colli en de tanks gedurende de tussenopslag niet worden geopend, behalve voor controles door de bevoegde autoriteit.
Vervoer als los gestort goed: vervoer van een onverpakte, vaste stof, welke gelost kan worden.
Opmerking: Vervoer als los gestort goed volgens het ADR of RID geldt voor het ADN als vervoer van colli.
Vervoermiddel: betekent bij vervoer over de binnenwateren een schip, een laadruim of een bepaald deel van het dek van een schip.
bij vervoer over de weg of de spoorweg betekent het een voertuig of een wagen.
Vervoerder: de onderneming die het vervoer met of zonder vervoersovereenkomst uitvoert.
Verzamelaanduiding: een gedefinieerde groep van stoffen of voorwerpen (zie 2.1.1.2, B, C en D).
Vezelgewapende kunststof: materiaal bestaande uit vezels en/of deeltjes versterkt in een thermohardend of thermoplastisch polymeer (matrix);
Vlamkerende inrichting: een inrichting, die aan de opening van een deel van een installatie of in de verbindende pijpleiding van een aantal installaties is ingebouwd en die als doel heeft de doorstroming mogelijk te maken, maar een doorslag van vlammen te verhinderen. De vlamkerende inrichting moet conform de internationale norm ISO 16852:20161 zijn beproefd en er moet worden aangetoond dat de inrichting aan de van toepassing zijnde eisen voldoet (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EU, *2 het IECEx-systeem, *5 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig).
*2 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*5 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.
Vlamkerend rooster: het deel van een vlamkerende inrichting dat als hoofddoel heeft een doorslag van een vlamfront te verhinderen.
Vlampunt (Vp): de laagste temperatuur van een vloeistof, waarbij de damp daarvan met lucht een ontvlambaar mengsel vormt.
Vloeibaar gemaakt aardgas (Liquefied Natural Gas - LNG): sterk gekoeld vloeibaar gemaakt gas met een hoog gehalte aan methaan ingedeeld onder UN-nr. 1972.
Vloeibaar gemaakt petroleumgas (Liquefied Petroleum Gas - LPG): een onder lage druk vloeibaar gemaakt gas bestaande uit een of meer lichte koolwaterstoffen die uitsluitend onder UN-nummer 1011, 1075, 1965, 1969 of 1978 zijn ingedeeld en dat hoofdzakelijk propaan, propeen, butaan, butaanisomeren en buteen met sporen van andere koolwaterstofgassen bevat.
Opmerking 1: Brandbare gassen die onder andere UN-nummers zijn ingedeeld worden niet als LPG beschouwd.
Opmerking 2: Zie voor UN-nummer 1075 Opmerking 2 onder 2F, UN-nummer 1965, in de tabel voor vloeibaar gemaakte gassen van 2.2.2.3.
Vloeistof: een stof die bij 50 °C een dampdruk heeft van ten hoogste 300 kPa (3 bar), en bij 20 °C en een druk van 101,3 kPa niet volledig gasvormig is, en die
- bij een druk van 101,3 kPa een smeltpunt of beginsmeltpunt heeft van 20 °C of lager, of
- volgens de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 vloeibaar is, of
- volgens de criteria van de in 2.3.4 beschreven beproevingsmethode voor de bepaling van het vloeigedrag (penetrometermethode) niet dikvloeibaar is.
Opmerking: “vervoer in vloeibare toestand”, in de zin van de tankvoorschriften, betekent:
- vervoer van vloeistoffen volgens bovenstaande definitie, of
- vervoer van vaste stoffen die in gesmolten toestand ten vervoer worden aangeboden.
Vluchtapparaat (geschikt): een gemakkelijk aan te brengen adembeschermingsapparaat, dat mond, neus en ogen van de drager bedekt en bestemd is om uit de gevarenzone te vluchten. Zie voor dergelijke apparaten bijvoorbeeld de Europese norm EN 13794:2002, EN 402:2003, EN 403:2004 of EN 1146:2005.
Vluchtboot: een speciaal ontworpen en rechtstreeks toegankelijk vaartuig dat alle bekende gevaren van de lading kan weerstaan en in staat is de mensen uit de gevarenzone weg te voeren.
Vluchtoord: een speciaal aangewezen en herkenbare, direct toegankelijke (vaste of drijvende) module die alle opvarenden ten minste 60 minuten bescherming biedt tegen alle vastgestelde gevaren van de lading, gedurende welke tijd zij kunnen communiceren met de hulp- en reddingsdiensten. Een vluchtoord kan in het stuurhuis of de verblijven worden geïntegreerd. Een vluchtoord kan ten tijde van een incident worden ontruimd. Een vluchtoord aan boord is niet toegelaten indien het vastgestelde gevaar een explosie betreft. Een vluchtoord aan boord en een drijvend vluchtoord buiten het schip moeten door een erkend classificatiebureau worden gecertificeerd. Een vluchtoord aan de wal moet in overeenstemming met de plaatselijke wetgeving worden gebouwd.
Vluchtroute: een veilige route vanuit een gevarenzone naar een veilige plaats of een ander evacuatiemiddel.
VN-modelbepalingen: de “Model Regulations”, opgenomen als bijlage bij de drieëntwintigste herziene editie van de “Recommendations on the Transport of Dangerous Goods”, gepubliceerd door de Verenigde Naties (ST/ SG/AC.10/1/Rev.23).
VN-nummer: zie UN-nummer.
VN-Reglement: een reglement als bijlage bij de Overeenkomst betreffende het aannemen van eenvormige technische voorschriften die van toepassing zijn op voertuigen op wielen, uitrustingsstukken en onderdelen die in een voertuig op wielen kunnen worden gemonteerd of gebruikt en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van overeenkomstig deze voorschriften verleende goedkeuringen (Overeenkomst van 1958, zoals gewijzigd).
Voertuig: een voertuig in de zin van de definitie “voertuig” van het ADR (zie batterijwagen, gesloten voertuig, met dekzeil uitgerust voertuig, open voertuig en tankwagen).
Voertuig (met dekzeil): een open voertuig dat ter bescherming van de lading met een dekzeil is uitgerust.
Voertuig (open): een voertuig, waarvan de laadbak geen opbouw heeft of slechts is voorzien van schotten aan de zijkanten en de achterkant.
Volumieke massa: moet worden uitgedrukt in kg/m3, in geval van herhaling moet alleen het getal worden gebruikt.
Voorziening voor de behandeling (voor flexibele IBC’s): draagbanden, lussen, ogen of raamwerken die aan het verpakkingslichaam van de IBC zijn bevestigd, of die zijn gevormd uit een verlenging van het materiaal waarvan het verpakkingslichaam is vervaardigd.
Vuldruk: de hoogste effectieve druk die tijdens het vullen onder druk in de tank ontwikkeld wordt.
[Zie ook Beproevingsdruk, Berekeningsdruk, Hoogste bedrijfsdruk (overdruk) en Losdruk].
Vuller: de onderneming,
- die gevaarlijke goederen laadt in een tank (tankwagen, afneembare tank, transporttank of tankcontainer) in een batterijwagen, reservoirwagen of in een gascontainer met verscheidene elementen (MEGC).
- die gevaarlijke goederen laadt in een ladingtank of
- die gevaarlijke goederen los gestort laadt in een schip, een voertuig, een wagen, een grote container of een kleine container.
Vullingsgraad: de verhouding, uitgedrukt in %, van het volume van de vloeistof of vaste stof dat bij 15 °C in de middelen van omsluiting is gebracht, en het volume van het voor gebruik gereed zijnde middelen van omsluiting.
Vullingsgraad van de ladingtank: indien, voor het vervoer van vloeibare of gesmolten stoffen, onder druk vloeibaar gemaakte gassen of sterk gekoeld vloeibare gassen, een vullingsgraad wordt aangegeven voor ladingtanks, dan geeft deze het percentage van de inhoud van de ladingtank weer, tot waar deze bij het laden met vloeistof gevuld mag worden. Voor het vervoer van gassen in de gasvormige fase in druktanks, de vullingsgraad van de ladingtank geeft de verhouding tussen de massa gas en de massa water die bij 15°C de tank volledig zou vullen, wat overeenkomt met een vulverhouding.
Vulverhouding: de verhouding tussen de massa gas en de massa water bij 15°C, die middelen van omsluiting, gereed voor het gebruik volledig zou vullen (capaciteit).
Opmerking: voor de vullingsgraad van ladingtanks, zie “Vullingsgraad van de ladingtank”.
W
Wagen: een spoorwegvoertuig zonder eigen aandrijving, dat op eigen wielen langs spoorstaven kan rijden en bestemd is voor het vervoer van goederen (zie ook batterijwagen, gesloten wagen, open wagen, wagen met dekzeil en reservoirwagen).
Wagen (gesloten): een wagen met wanden en een vast of beweegbaar dak.
Wagen (met dekzeil): een open wagen die ter bescherming van de lading met een dekzeil is uitgerust.
Wagen (open) : een wagen met of zonder zijwanden en opstaptreden, waarvan het laadoppervlak open is.
Wagenlading: een lading afkomstig van één afzender, waarvoor het gebruik van een voertuig, van een wagen of een grote container exclusief is gereserveerd, waarbij het laden en lossen geheel geschiedt op aanwijzing van deze afzender of op die van de geadresseerde.
Opmerking: De overeenkomstige term voor radioactieve stoffen is “exclusief gebruik”.
Waardoor of waarheen: betekent voor het vervoer van radioactieve stoffen door of naar de landen waarheen de zending wordt vervoerd, maar sluit in het bijzonder de landen uit “waaroverheen” de zending in een luchtvaartuig wordt vervoerd, onder voorwaarde dat er geen tussenlandingen in deze landen zijn gepland.
Waterdicht: betekend dat constructiedelen of inrichtingen zo zijn uitgevoerd dat zij het doorlaten van water verhinderen.
Waterfilm: een constante stroom van water ter bescherming tegen een brosse breuk.
Watersproeisysteem: een inrichting aan boord van het schip die, voor alle in lege toestand vrij liggende verticale externe oppervlakken van de scheepsromp op het voor- en achterschip, alle verticale oppervlakken van opbouwen en dekhuizen evenals de dekoppervlakken boven opbouwen, machinekamers en ruimten waar brandbare stoffen kunnen worden opgeslagen, door middel van een gelijkmatige verdeling van water bescherming biedt.
Het watersproeisysteem moet een capaciteit hebben van ten minste 10 l/m2 per minuut voor het te beschermen gebied. Het sproeisysteem moet voor gebruik gedurende het hele jaar zijn ontworpen. Het sproeisysteem moet zowel vanuit het stuurhuis als vanuit de veilige zone in werking gesteld kunnen worden.
Wissellaadbak: zie Container.
Wissellaadtank: zie Tankcontainer.
Woning: de voor de normaal aan boord verblijvende personen bestemde ruimten, met inbegrip van keukens, proviandkamers, toiletten, wasruimten, gangen, portalen enz., met uitzondering van het stuurhuis.
Z
Zak: een flexibele verpakking van papier, kunststof folie, textiel, geweven materiaal of van een ander geschikt materiaal.
Zelfontbrandingstemperatuur (EN 13237:2012): de laagste temperatuur vastgesteld onder voorgeschreven beproevingsomstandigheden, van een heet oppervlak waarop een brandbare stof in de vorm van een gas/lucht- of damp/lucht-mengsel ontbrandt.
Zending: een collo of meerdere colli of een lading gevaarlijke goederen, dat/die door een afzender ten vervoer wordt aangeboden.
Zone-indeling: deze indeling (zie onderstaande schets) is van toepassing op tankschepen waarvan de scheepsstoffenlijst als bedoeld in 1.16.1.2.5 stoffen bevat waarvoor conform hoofdstuk 3.2, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist.
![]() |
Zone 0 omvat het inwendige van alle ladingtanks, tanks voor restproducten, houders voor restproducten en houders voor slobs evenals de pijpleidingen die lading of ladingdampen bevatten, inclusief hun uitrusting evenals pompen en compressoren. |
![]() |
Zone 1 omvat:
|
![]() |
Zone 2 omvat:
|
Zone-indeling voor tankschepen

Kofferdam niet ingericht als dienstruimte

Tankschip met ladingtankruimte / dienstruimte in de kofferdam

Zuurstofmeetinstallatie: een continu werkende, vast aangebrachte meetinstallatie waarmee tijdig een van belang zijnde vermindering van het zuurstofaandeel in de lucht gemeten kan worden en die bij het bereiken van een zuurstofconcentratie van 19,5 vol.-% een alarm in werking kan stellen.
Deze installatie moet volgens de Europese norm IEC/EN 7 50104:2019 worden beproefd. Indien de installatie in explosiegevaarlijke zones wordt gebruikt, moet zij bovendien voldoen aan de voorschriften voor gebruik in de betreffende zone en er moet worden aangetoond dat de installatie voldoet aan de van toepassing zijnde eisen (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EU, *1 IECEx-systeem, *2 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig).
Een zuurstofmeetinstallatie kan ook uitgevoerd zijn als combinatiesysteem voor het meten van zuurstof en brandbare gassen.
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.
Zuurstofmeter: Een draagbaar apparaat, waarmee iedere van belang zijnde vermindering van het zuurstofaandeel in de lucht gemeten kan worden. Een zuurstofmeter kan zowel zijn ontworpen voor alleen zuurstof of als combinatiemeter voor het meten van zuurstof en brandbare gassen. Het apparaat moet zo zijn uitgevoerd dat ook metingen mogelijk zijn zonder de ruimte, waarin moet worden gemeten, te betreden. De meter moet volgens IEC/EN7 50104:2019 worden beproefd. Indien de meter in explosiegevaarlijke zones wordt gebruikt, moet hij bovendien voldoen aan de voorschriften voor gebruik in de betreffende zone en er moet worden aangetoond dat de meter voldoet aan de van toepassing zijnde eisen (bijv. Conformiteitsbeoordeling conform Richtlijn 2014/34/EG, *1 het IEC Ex-systeem, *2 ECE/TRADE/391 *3 of ten minste gelijkwaardig).
*1 Publicatieblad van de Europese Unie nr. L 96 van 29 maart 2014, blz. 309
*2 https://www.iecex.com/publications/iecex-rules.
*3 Een gemeenschappelijk regelgevingskader voor apparatuur gebruikt in omgevingen met een explosieve atmosfeer, Verenigde Naties 2011.














