ADN-Digitaal
home
Home

Deel 1 — Algemene voorschriften

Hoofdstuk 1.1 openen →

Deel 2 — Classificatie

Deel 3 — Gevaarlijke goederen + bijzondere bepalingen

Deel 4 — Verpakkingen en tanks

Deel 4 uit ADR 2025 — Verpakkingen en tanks

Hoofdstuk 4.1 openen →
Hoofdstuk 4.2 openen →

Deel 5 — Procedures verzending

Deel 6 — Constructie + beproeving verpakkingen

Deel 6 uit ADR 2025 — Constructie + beproeving verpakkingen

Hoofdstuk 6.1 openen →
Hoofdstuk 6.2 openen →
Hoofdstuk 6.5 openen →
Hoofdstuk 6.6 openen →
Hoofdstuk 6.7 openen →
Hoofdstuk 6.8 openen →
Hoofdstuk 6.11 openen →

Deel 7 — Vervoer, laden, lossen

Hoofdstuk 7.1 openen →
Hoofdstuk 7.2 openen →

Deel 8 — Bemanning + voertuig

Deel 9 — Constructie + goedkeuring voertuigen

Hoofdstuk 9.3 openen →
Tabel A Tabel C
ADN 2025
Inhoudsopgave hoofdstuk 2.2.2
  1. 2.2.2 Klasse 2 Gassen
  2. 2.2.2.1 Criteria

Hoofdstuk 2.2.2
Klasse 2 Gassen.

 

De titel van klasse 2 omvat zuivere gassen, gasmengsels, mengsels van één of meer gassen met één of meer andere stoffen, alsmede voorwerpen die dergelijke stoffen bevatten.

Onder gassen worden stoffen verstaan, die o

  1. bij 50 C een dampdruk hebben hoger dan 300 kPa (3 bar); of o
  2. bij 20 C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig zijn.

Opmerking 1: UN 1052 FLUORWATERSTOF, WATERVRIJ is echter een stof van klasse 8.

Opmerking 2: Een zuiver gas mag andere bestanddelen bevatten, die afkomstig zijn van het productieproces of die worden toegevoegd om de stabiliteit van het product te handhaven, onder voorwaarde dat de concentratie van deze bestanddelen niet de indeling of de vervoersvoorwaarden, zoals vullingsgraad van de ladingtank, vuldruk of beproevingsdruk wijzigt.

Opmerking 3: De n.e.g.-posities in 2.2.2.3 omvatten zowel zuivere gassen als gasmengsels.

De stoffen en voorwerpen van de klasse 2 zijn als volgt ingedeeld:

  1. Samengeperst gas: een gas dat, indien het voor vervoer onder druk is verpakt, bij -50 °C geheel gasvormig is; deze categorie omvat alle gassen met een kritische temperatuur van ten hoogste -50 °C;
  2. Vloeibaar gemaakt gas: een gas dat indien het voor vervoer onder druk is verpakt, bij temperaturen hoger dan -50 °C gedeeltelijk vloeibaar is. Onderscheid wordt gemaakt tussen:
    • onder hoge druk vloeibaar gemaakt gas: een gas met een kritische temperatuur hoger dan -50 °C en ten hoogste +65 °C; en
    • onder lage druk vloeibaar gemaakt gas: een gas met een kritische temperatuur boven +65 °C;
  3. Sterk gekoeld vloeibaar gemaakt gas: een gas dat, indien het verpakt is voor vervoer, vanwege zijn lage temperatuur gedeeltelijk vloeibaar is.
  4. Opgelost gas: een gas dat, indien het voor vervoer onder druk is verpakt, in een oplosmiddel in vloeibare fase is opgelost;
  5. Spuitbussen en houders, klein, met gas (gaspatronen).
  6. Andere voorwerpen, die gas onder druk bevatten.
  7. Drukloze gassen die aan bijzondere voorschriften onderworpen zijn (gasmonsters).
  8. Chemische stoffen onder druk: vloeibare, pasteuze of poedervormige stoffen, onder druk gezet met een voortdrijvende stof die voldoet aan de definitie van een samengeperst of vloeibaar gemaakt gas en mengsels daarvan.
  9. Geadsorbeerd gas: een gas dat, wanneer het ten vervoer wordt verpakt, op een vast en poreus materiaal wordt geadsorbeerd, resulterend in een inwendige druk in de houder van minder dan 101,3 kPa bij 20 °C en minder dan 300 kPa bij 50 °C.

De stoffen en voorwerpen (uitgezonderd spuitbussen en chemische stoffen onder druk) van klasse 2 zijn op grond van hun gevaarseigenschappen in één van de volgende groepen ingedeeld:

A verstikkend;
O oxiderend;
F brandbaar;
T giftig;
TF giftig, brandbaar;
TC giftig, bijtend;
TO giftig, oxiderend;
TFC giftig, brandbaar, bijtend;
TOC giftig, oxiderend, bijtend.

Indien gassen of gasmengsels volgens de criteria gevaarlijke eigenschappen bezitten, die verbonden zijn aan meer dan één groep, hebben groepen, aangeduid met letter T voorrang boven alle andere groepen.

De groepen, aangeduid met letter F hebben voorrang boven de groepen, aangeduid met letters A of O.

Opmerking 1: In de VN-modelbepalingen, de IMDG Code en in de Technische instructies van de ICAO zijn de gassen op grond van hun overheersende gevaar in één van de volgende drie subklassen ingedeeld:

Subklasse 2.1: brandbare gassen (komt overeen met de groepen, aangeduid met hoofdletter F).
Subklasse 2.2: niet brandbare, niet giftige gassen (komt overeen met de groepen, aangeduid met hoofdletter A of O).
Subklasse 2.3: giftige gassen (komt overeen met de groepen, aangeduid met hoofdletter T, d.w.z. T, TF, TC, TO, TFC en TOC).

Opmerking 2: Houders, klein, met gas (UN-nummer 2307) moeten overeenkomstig het gevaar van de inhoud in de groepen A t/m TOC worden ingedeeld. Voor spuitbussen (UN-nummer 1950), zie 2.2.2.1.6. Voor chemische stoffen onder druk (UN-nummers 3500 t/m 3505), zie 2.2.2.1.7.

Opmerking 3: Bijtende gassen worden als giftig beschouwd en zijn derhalve ingedeeld in de groepen TC, TFC of TOC.

Indien een in tabel A van hoofdstuk 3.2 met name genoemd mengsel van klasse 2 overeenkomt met andere criteria dan die, genoemd in 2.2.2.1.2 en 2.2.2.1.5, dan moet dit mengsel volgens die criteria worden ingedeeld en wel onder een geschikte n.e.g.-positie.

De stoffen en voorwerpen (uitgezonderd spuitbussen en chemische stoffen onder druk) die niet met name zijn genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.2 moeten volgens 2.2.2.1.2 en 2.2.2.1.3 worden ingedeeld in een in 2.2.2.3 vermelde verzamelaanduiding. De volgende criteria zijn van toepassing:

Verstikkende gassen
Niet oxiderende, niet brandbare en niet giftige gassen, die de zuurstof, welke gewoonlijk in de atmosfeer aanwezig is, verdunnen of verdringen.

Brandbare gassen
Gassen die bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa

  1. in een mengsel van ten hoogste 13 vol.-% gas met lucht brandbaar zijn; of
  2. onafhankelijk van de onderste explosiegrens een explosiegebied met lucht bezitten van ten minste 12 %. De brandbaarheid moet worden vastgesteld door beproevingen of door berekeningen volgens de methoden welke door de ISO zijn aanvaard (zie ISO-norm 10156:2017).

Indien voor de toepassing van deze methoden onvoldoende gegevens ter beschikking staan, mogen gelijkwaardige beproevingsmethoden, die door de bevoegde autoriteit van het land van herkomst zijn erkend, worden toegepast.

Indien het land van herkomst geen Overeenkomstsluitende Partij van het ADN is, dan moeten deze methoden worden erkend door de bevoegde autoriteit van de eerste Overeenkomstsluitende Partij van het ADN, die bij de zending betrokken is.

Oxiderende gassen
Gassen die, in het algemeen door het verschaffen van zuurstof, de verbranding van andere stoffen in sterkere mate kunnen veroorzaken of bevorderen dan lucht. Dit zijn zuivere gassen of gasmengsels met een oxiderende werking hoger dan 23,5% bepaald volgens een methode aangegeven in ISO 10156:2017.

Giftige gassen
Opmerking: Gassen, die gedeeltelijk of volledig vanwege hun bijtende eigenschappen aan de criteria voor de giftigheid voldoen, moeten als giftig worden ingedeeld. Voor het mogelijke bijkomende gevaar van bijtende werking, zie ook de criteria onder de titel "Bijtende gassen".

Gassen waarvan,

  1. bekend is dat zij zo giftig of bijtend voor de mens zijn, dat zij een gevaar voor de gezondheid betekenen; of
  2. wordt aangenomen dat zij giftig of bijtend voor de mens zijn, omdat bij de proeven volgens 2.2.61.1 hun LC50-waarde voor de acute giftigheid lager dan of gelijk aan 5000 ml/m3 (ppm) is.

Voor de indeling van gasmengsels (met inbegrip van dampen van stoffen van andere klassen) mag de volgende formule worden gebruikt: 

waarin
fi = molaire fractie van de i-de component van het mengsel

Ti = giftigheidskengetal van de i-de component van het mengsel. De Ti-waarde is gelijk aan de LC50-waarde, aangegeven in subsectie 4.1.4.1 van het ADR, verpakkingsinstructie P200. Is de LC50-waarde in subsectie 4.1.4.1 van het ADR, verpakkingsinstructie P200 niet aangegeven, dan moet de in de wetenschappelijke literatuur aanwezige LC50-waarde worden gebruikt. Is de LC50-waarde niet bekend, dan wordt het giftigheidskengetal berekend uitgaande van de laagste LC50-waarde van stoffen met gelijksoortige fysiologische en chemische eigenschappen, of, als dit de enige praktische mogelijkheid is, door het uitvoeren van proeven.

Bijtende gassen
Gassen of gasmengsels, die volledig vanwege hun bijtende werking aan de criteria voor de giftigheid voldoen, moeten als giftig met bijkomend gevaar bijtend worden ingedeeld.

Een gasmengsel, dat als giftig wordt beschouwd vanwege het gecombineerde effect van bijtende werking en giftigheid, heeft als bijkomend gevaar de bijtende werking indien op grond van menselijke ervaring bekend is, dat het mengsel een destructieve werking heeft op de huid, de ogen, of de slijmvliezen, of als de LC50-waarde van de bijtende componenten van het mengsel, berekend volgens de volgende formule lager dan of gelijk aan 5000 ml/m3 (ppm) is:

fci = molaire fractie van de i-de bijtende component van het mengsel
Tci = giftigheidskengetal van de i-de bijtende component van het mengsel. De Tci-waarde is gelijk aan de LC50-waarde, aangegeven in subsectie 4.1.4.1 van het ADR, verpakkingsinstructie P200. Is de LC50-waarde in subsectie 4.1.4.1 van het ADR, verpakkingsinstructie P200, niet aangegeven, dan moet de in de wetenschappelijke literatuur aanwezige LC50-waarde worden gebruikt. Is de LC50-waarde niet bekend, dan wordt het giftigheidskengetal berekend uitgaande van de laagste LC50-waarde van stoffen met gelijksoortige fysiologische en chemische eigenschappen, of, als dit de enige praktische mogelijkheid is, door het uitvoeren van proeven.

Spuitbussen (Aerosolen)

Spuitbussen (UN-nummer 1950) zijn op grond van hun gevaarseigenschappen in één van de volgende groepen ingedeeld:

A verstikkend
O oxiderend
F brandbaar
T giftig
C bijtend
CO bijtend, oxiderend
FC brandbaar, bijtend
TF giftig, brandbaar
TC giftig, bijtend
TO giftig, oxiderend
TFC giftig, brandbaar, bijtend
TOC giftig, oxiderend, bijtend

De indeling van de spuitbussen hangt af van de aard van de inhoud van de spuitbus.

Opmerking: Gassen die voldoen aan de definitie van giftige gassen volgens 2.2.2.1.5 en gassen die in noot c van tabel 2 van verpakkingsinstructie P200, subsectie 4.1.4.1 van het ADR, als "Wordt beschouwd als pyrofoor" zijn aangemerkt, mogen in een spuitbus niet als drijfgas worden gebruikt. Spuitbussen met een inhoud, die voldoet aan de criteria voor verpakkingsgroep I wat betreft giftigheid of bijtende eigenschappen, zijn niet ten vervoer toegelaten (zie ook 2.2.2.2.2).

De volgende criteria zijn van toepassing:

  1. Indeling in groep A is van toepassing indien de inhoud volgens de subparagrafen b) t/m f) hieronder niet aan de criteria voor enige andere groep voldoet;
  2. indeling in groep O is van toepassing, indien de spuitbus een oxiderend gas volgens 2.2.2.1.5 bevat.
  3. Indeling in groep F is van toepassing, indien de inhoud ten minste 85 massa-% brandbare bestanddelen bevat en de chemische verbrandingswarmte ten minste 30 kJ/g bedraagt. Indeling in groep F is niet van toepassing, indien de inhoud ten hoogste 1 massa-% brandbare bestanddelen bevat en de chemische verbrandingswarmte minder dan 20 kJ/g bedraagt. In andere gevallen moet het drijfgas van de spuitbus overeenkomstig de in het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 31 beschreven beproevingen op brandbaarheid worden beproefd. Spuitbussen met zeer brandbare en brandbare drijfgassen moeten in groep F worden ingedeeld;

    Opmerking: Brandbare bestanddelen zijn brandbare vloeistoffen, brandbare vaste stoffen of de in het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 31.1.3, Opmerking 1 tot en met 3 gedefinieerde brandbare gassen of gasmengsels. Onder deze aanduiding vallen pyrofore, voor zelfverhitting vatbare of met water reagerende stoffen niet. De chemische verbrandingswarmte moet door middel van een van de volgende methoden worden vastgesteld: ASTM D 240, ISO/FDIS 13943:1999 (E/F) 86.1 tot en met 86.3 of NFPA 30B.

  4. Indeling in groep T is van toepassing indien de inhoud, met uitzondering van het drijfgas van spuitbussen, wordt ingedeeld in klasse 6.1, verpakkingsgroep II of III;
  5. Indeling in groep C is van toepassing indien de inhoud, met uitzondering van het drijfgas van spuitbussen, voldoet aan de criteria voor klasse 8, verpakkingsgroep II of III;
  6. Indien aan de criteria voor meer dan één groep uit de groepen O, F, T en C voldaan wordt, is indeling in de desbetreffende groepen CO, FC, TF, TC, TO, TFC of TOC van toepassing.

Beste bezoeker, 

U bent bijna bij de volledige inhoud

Deze pagina maakt deel uit van het afgeschermde gedeelte van ADN , bedoeld voor abonnees die dagelijks met de ADN regelgeving werken.

Met een abonnement heeft u onbeperkt toegang tot de complete, gedigitaliseerde ADN, snel doorzoekbaar, met onderlinge verwijzingen en altijd bijgewerkt naar de laatste versie. Precies wat u nodig heeft om zeker en efficiënt te werken.

  • Als u al abonnee bent log dan aub in
  • Nog geen abonnement ?  U bent slechts 1 minuut verwijderd van de volledige toegang tot de Digitale ADN.