ALGEMENE VOORSCHRIFTEN


UN NUMMER
1715

OMSCHRIJVING :

AZIJNZUURANHYDRIDE

VERPAKKINGSGROEP :

II

bijtende of zwak bijtende stof, brandbaar (vlampunt tussen 23 °C en 60 °C)

GEVARENKLASSE : 8

2.2.8

Klasse 8 Bijtende stoffen

2.2.8.1

Definitie, algemene voorschriften en criteria

2.2.8.1.1

Bijtende stoffen zijn stoffen die door hun chemische werking onomkeerbare schade aan de huid veroorzaken of die in geval van lekkage andere goederen of het vervoermiddel aanzienlijk beschadigen of zelfs vernietigen.

Onder de titel van deze klasse vallen ook stoffen die pas in aanwezigheid van water een bijtende vloeistof vormen of die in aanwezigheid van de natuurlijke luchtvochtigheid bijtende dampen of nevels ontwikkelen.

 

2.2.8.1.2

In 2.2.8.1.4 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de indeling van stoffen en mengsels die bijtend zijn voor de huid.

Huidcorrosie houdt in dat de huid onomkeerbaar is beschadigd; namelijk dat zichtbare necrose optreedt door de epidermis heen in de dermis na blootstelling aan een stof of mengsel.

 

2.2.8.1.3

Bij vloeistoffen en vaste stoffen die tijdens het vervoer vloeibaar kunnen worden en waarvan wordt aangenomen dat zij geen huidcorrosie veroorzaken, moet echter worden nagegaan wat hun vermogen is om corrosie van bepaalde metalen oppervlakken te veroorzaken overeenkomstig de criteria in 2.2.8.1.5.3 c) ii).

 

2.2.8.1.4

Algemene indelingsvoorschriften

2.2.8.1.4.1

De stoffen en voorwerpen van klasse 8 zijn als volgt onderverdeeld:

2.2.8.1.4.1 1

 

2.2.8.1.4.2

Stoffen en mengsels van klasse 8 worden overeenkomstig hun mate van gevaar bij het vervoer over drie verpakkingsgroepen verdeeld:

  1. verpakkingsgroep I: zeer gevaarlijke stoffen en mengsels;
  2. verpakkingsgroep II: middelmatig gevaarlijke stoffen en mengsels;
  3. verpakkingsgroep III: minder gevaarlijke stoffen en mengsels.

 

2.2.8.1.4.3

De in tabel A van hoofdstuk 3.2 genoemde stoffen zijn toegewezen aan de verpakkingsgroepen in klasse 8 op basis van ervaringsfeiten, waarbij rekening is gehouden met bijkomende factoren zoals het gevaar van inademen (zie 2.2.8.1.4.5) en de reactiviteit met water (in het bijzonder de vorming van gevaarlijke ontledingsproducten).

 

2.2.8.1.4.4

Nieuwe stoffen en mengsels kunnen worden ingedeeld in verpakkingsgroepen aan de hand van de tijdsduur die nodig is om onomkeerbare schade te veroorzaken aan het onbeschadigde huidweefsel overeenkomstig de criteria van 2.2.8.1.5. Bij wijze van alternatief kunnen voor mengsels de criteria in 2.2.8.1.6 worden toegepast.

 

2.2.8.1.4.5

Een stof of mengsel, die/dat voldoet aan de criteria van klasse 8 en waarvan de giftigheid bij inademing van stof en nevels (LC50) overeenkomt met verpakkingsgroep I, maar waarvan de giftigheid bij inslikken of bij opname door de huid slechts overeenkomt met verpakkingsgroep III of met een geringere giftigheid, moet worden ingedeeld in klasse 8 (zie 2.2.61.1.7.2).

 

2.2.8.1.5

Indeling van stoffen en mengsels in verpakkingsgroepen

 

2.2.8.1.5.1

Allereerst moeten bestaande gegevens over mensen en dieren, waaronder gegevens over eenmalige of herhaalde blootstelling, worden geëvalueerd, omdat hieruit informatie kan worden geput die van direct belang is voor de gevolgen voor de huid.

 

2.2.8.1.5.2

Bij de indeling in een verpakkingsgroep volgens 2.2.8.1.4.4 moet rekening worden gehouden met bij mensen opgedane ervaringen in geval van blootstelling bij ongevallen. Indien dergelijke menselijke ervaringen ontbreken, moet de indeling worden uitgevoerd op basis van de resultaten van proeven overeenkomstig OESO Beproevingsrichtlijn ("Test Guideline") 4045 of 4356. Stoffen of mengsels waarvan wordt vastgesteld dat deze niet bijtend zijn volgens OESO Begroevingsrichtlijn 4307 of 4318 kunnen zonder verdere beproevingen als niet bijtend voor de huid worden aangemerkt in de zin van het ADR.

5 OECD Guideline for the testing of chemicals No. 404 "Acute Dermal Irritation/Corrosion" 2015.
6 OECD Guideline for the testing of chemicals No. 435 "In Vitro Membrane Barrier Test Method for Skin Corrosion" 2015.
7 OECD Guideline for the testing of chemicals No. 430 "In Vitro Skin Corrosion: Transcutaneous Electrical Resistance Test (TER)" 2015.
8 OECD Guideline for the testing of chemicals No. 431 "In Vitro Skin Corrosion: Human Skin Model Test" 2015.

 

2.2.8.1.5.3

Bijtende stoffen worden ingedeeld in verpakkingsgroepen volgens de volgende criteria (zie tabel 2.2.8.1.5.3):

  1. In verpakkingsgroep I worden ingedeeld stoffen die onomkeerbare schade aan het onbeschadigde huidweefsel over de volledige dikte veroorzaken binnen een observatieperiode van 60 minuten, die begint onmiddellijk na een inwerkingstijd van drie minuten of minder;
  2. In verpakkingsgroep II worden ingedeeld stoffen die onomkeerbare schade aan het onbeschadigde huidweefsel over de volledige dikte veroorzaken binnen een observatieperiode van 14 dagen, die begint na een inwerkingstijd van meer dan 3 minuten, maar ten hoogste 60 minuten;
  3. In verpakkingsgroep III worden ingedeeld:
    1. stoffen die de onomkeerbare schade aan het onbeschadigde huidweefsel over de volledige dikte veroorzaken binnen een observatieperiode van 14 dagen, die begint na een inwerkingstijd van meer dan 60 minuten, maar ten hoogste 4 uren; of
    2. stoffen waarvan kan worden aangenomen, dat zij niet de onomkeerbare schade aan het onbeschadigde huidweefsel over de volledige dikte veroorzaken, maar waarvan de corrosiesnelheid op oppervlakken van ofwel staal dan wel aluminium 6,25 mm per jaar bij een beproevingstemperatuur van 55 oC overschrijdt bij beproeving op beide materialen. Bij beproevingen op staal moet het type S235JR+CR (1.0037 resp. St. 37-2), S275J2G3+CR (1.0144 resp. St. 44-3), ISO 3574 of Unified Numbering System (UNS) G10200 of een soortgelijk type SAE 1020 worden gebruikt, en bij beproevingen op aluminium de niet geanodiseerde typen 7075-T6 of AZ5GU-T6. Een aanvaardbare beproeving is beschreven in het Handboek beproevingen en criteria, deel III, sectie 37.

      Opmerking: Indien een eerste beproeving op ofwel staal dan wel aluminium aangeeft dat de stof die beproefd wordt bijtend is, dan is de vervolgbeproeving op het andere metaal niet vereist.
Verpakkingsgroep  Inwerkingstijd   Observatieperiode  Effect
I ≤ 3 min ≤ 60 min Onomkeerbare schade van het onbeschadigde huidweefsel
II > 3 min ≤ 1 h ≤ 14 d Onomkeerbare schade van het onbeschadigde huidweefsel
III > 1 h ≤ 4 h ≤ 14 d Onomkeerbare schade van het onbeschadigde huidweefsel
III - - Corrosiesnelheid op oppervlakken van staal of aluminium meer dan 6,25 mm per jaar bij een beproevingstemp. van 55 °C bij beproeving op beide materialen

 Tabel 2.2.8.1.5.3 Overzicht van de criteria van 2.2.8.1.5.3

 

2.2.8.1.6

Alternatieve methoden voor de indeling van mengsels in een verpakkingsgroep: Stapsgewijze aanpak

 

2.2.8.1.6.1

Algemene voorschriften
Voor mengsels moet informatie worden verkregen die het mogelijk maakt de criteria op het mengsel toe te passen voor classificatie en indeling in een verpakkingsgroep. Voor die classificatie en indeling wordt een stapsgewijze aanpak gehanteerd die afhangt van de hoeveelheid beschikbare informatie voor het mengsel zelf, voor gelijksoortige mengsels en/of de bestanddelen daarvan. Het stroomschema in figuur 2.2.8.1.6.1 geeft weer welk proces moet worden gevolgd.

2.2.8.1.6.1

Figuur 2.2.8.1.6.1: Stapsgewijze aanpak voor de classificatie en indeling van bijtende mengsels in een verpakkingsgroep

 

2.2.8.1.6.2

Overbruggingsprincipes
Indien een mengsel niet is beproefd op het vermogen om huidcorrosie te veroorzaken, maar er voldoende gegevens beschikbaar zijn over de afzonderlijke bestanddelen en gelijksoortige beproefde mengsels om het mengsel te classificeren en in te delen in een verpakkingsgroep, moeten deze gegevens worden gebruikt in overeenstemming met de volgende overbruggingsregels. Dit zorgt ervoor dat er bij het classificatieproces zo veel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de beschikbare gegevens om de gevaren van het mengsel te karakteriseren.

  1. Verdunning: Indien een beproefd mengsel wordt verdund met een verdunning die niet aan de criteria voor klasse 8 voldoet en geen gevolgen heeft voor de verpakkingsgroep van andere bestanddelen, kan het nieuwe verdunde mengsel worden ingedeeld in dezelfde verpakkingsgroep als die van het oorspronkelijk beproefde mengsel.

    Opmerking: In bepaalde gevallen kan de verdunning van een mengsel of stof leiden tot een toename van de bijtende eigenschappen. Indien dit het geval is, kan dit overbruggingsprincipe niet worden toegepast.

  2. Variatie tussen charges: Het vermogen van een beproefde charge uit de productie van een mengsel om huidcorrosie te veroorzaken, wordt geacht in wezen equivalent te zijn aan die van een andere niet beproefde charge uit de productie van hetzelfde commerciële product indien geproduceerd door of onder controle van dezelfde fabrikant, tenzij er redenen bestaan om aan te nemen dat er sprake is van significante verandering, zodat het vermogen van de niet beproefde charge om huidcorrosie te veroorzaken, is veranderd. Indien het laatstgenoemde optreedt, is een nieuwe classificatie noodzakelijk.

  3. Concentratie van mengsels van verpakkingsgroep I: Indien een beproefd mengsel dat aan de criteria voor indeling in verpakkingsgroep I voldoet, wordt geconcentreerd, kan het meer geconcentreerde niet beproefde mengsel zonder aanvullende beproevingen worden ingedeeld in verpakkingsgroep I.

  4. Interpolatie binnen één verpakkingsgroep: Indien in het geval van drie mengsels (A, B en C) met identieke bestanddelen de mengsels A en B zijn beproefd en in dezelfde verpakkingsgroep voor huidcorrosie vallen, en indien het niet beproefde mengsel C dezelfde bestanddelen van klasse 8 bevat als de mengsels A en B, maar concentraties van klasse 8-bestanddelen bevat die tussen de concentraties in mengsels A en B liggen, dan wordt aangenomen dat mengsel C in dezelfde verpakkingsgroep voor huidcorrosie valt als A en B.

  5. In wezen gelijksoortige mengsels: Gegeven het volgende geval:
    1. twee mengsels: (A+B) en (C+B);
    2. de concentratie van bestanddeel B is dezelfde in beide mengsels;
    3. de concentratie van bestanddeel A in mengsel (A+B) is gelijk aan die van bestanddeel C in mengsel (C+B);
    4. De gegevens betreffende huidcorrosie van de bestanddelen A en C zijn beschikbaar en in wezen equivalent, d.w.z. ze vallen onder dezelfde verpakkingsgroep voor huidcorrosie en beïnvloeden niet het vermogen van B om huidcorrosie te veroorzaken.
      Indien mengsel (A+B) of (C+B) al geclassificeerd is op basis van beproevingsgegevens, dan kan het andere mengsel in dezelfde verpakkingsgroep worden ingedeeld.

 

2.2.8.1.6.3

Rekenmethode op basis van de classificatie van de stoffen

 

2.2.8.1.6.3.1

Indien een mengsel niet is beproefd op het vermogen om huidcorrosie te veroorzaken en er onvoldoende gegevens over soortgelijke mengsels beschikbaar zijn, worden de bijtende eigenschappen van de stoffen in het mengsel in aanmerking genomen voor de classificatie en indeling in een verpakkingsgroep.

De rekenmethode mag alleen worden toegepast als er geen synergetische effecten optreden die het mengsel bijtender maken dan de som van zijn bestanddelen.

Deze restrictie is enkel van toepassing indien het mengsel zou worden ingedeeld in verpakkingsgroep II of III.

 

2.2.8.1.6.3.2

Bij toepassing van de rekenmethode moeten alle aanwezige klasse 8-bestanddelen in aanmerking worden genomen in geval van een concentratie van hetzij ≥ 1%, hetzij < 1% indien deze bestanddelen nog steeds relevant zijn voor de classificatie dat het mengsel bijtend is voor de huid.

 

2.2.8.1.6.3.3

Om vast te stellen of een mengsel dat bijtende stoffen bevat, moet worden beschouwd als een bijtend mengsel voor indeling in een verpakkingsgroep, moet de rekenmethode in het stroomschema van figuur 2.2.8.1.6.3 worden toegepast.

 

2.2.8.1.6.3.4

Wanneer een specifieke concentratiegrens (SCL) wordt toegekend aan een in tabel A van hoofdstuk 3.2 of bijzondere bepaling genoemde stof, moet deze grens worden gebruikt in plaats van de algemene concentratiegrenzen (GCL). Dit gebeurt wanneer bij de eerste stap voor de beoordeling van stoffen van verpakkingsgroep I gebruik wordt gemaakt van 1%, en wanneer voor de overige respectievelijke stappen in figuur 2.2.8.1.6.3 gebruik wordt gemaakt van 5%.

 

2.2.8.1.6.3.5

Hierbij moet voor elke stap van de rekenmethode de summatieformule worden aangepast. Dit betekent dat, voor zover van toepassing, de algemene concentratiegrens moet worden vervangen door de specifieke concentratiegrens (SCLi) die aan de stof(fen) is toegewezen, en de aangepaste formule een gewogen gemiddelde is van de verschillende concentratiegrenzen die aan de verschillende stoffen in het mengsel zijn toegewezen:

2.2.8.1.6.3.5

 

 

waarin:
PG xi = concentratie van stof 1, 2 … i in het mengsel, ingedeeld in verpakkingsgroep x (I, II of III)
GCL = algemene concentratiegrens
SCLi = specifieke concentratiegrens toegekend aan stof i
Het criterium voor een verpakkingsgroep is vervuld wanneer het resultaat van de berekening is ≥ 1. De te gebruiken algemene concentratiegrenzen voor de evaluatie in elke stap van de rekenmethode zijn die in figuur 2.2.8.1.6.3.

In de onderstaande opmerking worden voorbeelden gegeven van de toepassing van bovengenoemde formule.

Opmerking: Voorbeelden van de toepassing van bovengenoemde formule
Voorbeeld 1: Een mengsel bevat één bijtende stof in een concentratie van 5%, ingedeeld in verpakkingsgroep I zonder een specifieke concentratiegrens:

Berekening voor verpakkingsgroep I : 2.2.8.1.6.3.5 6➔ indelen in klasse 8, verpakkingsgroep I

Voorbeeld 2: Een mengsel bevat drie stoffen die bijtend zijn voor de huid; twee daarvan (A en B) hebben specifieke concentratiegrenzen; op de derde (C) is de algemene concentratiegrens van toepassing. De rest van het mengsel moet in beschouwing worden genomen:

Stof X in mengsel en indeling ervan in verpakkingsgroep in klasse 8 Concentratie (conc) in het mengsel in % Specifieke concentratie- grens (SCL) voor verpakkings-
groep I
Specifieke concentratie- grens (SCL) voor verpakkings-
groep II
Specifieke concentratie- grens (SCL) voor verpakkings-
groep III
A, ingedeeld in
verpakkingsgroep I
3 30% geen geen
B, ingedeeld in verpakkingsgroep I 2 20% 10% geen
C, ingedeeld in
verpakkingsgroep III
10 geen geen geen

 

Berekening voor verpakkingsgroep I: 2.2.8.1.6.3.5 2

Er is niet voldaan aan het criterium voor verpakkingsgroep I.

 

Berekening voor verpakkingsgroep II: 2.2.8.1.6.3.5 3

Er is niet voldaan aan het criterium voor verpakkingsgroep II.

 

Berekening voor verpakkingsgroep III: 2.2.8.1.6.3.5 4

Er is voldaan aan het criterium voor verpakkingsgroep III, het mengsel wordt ingedeeld in klasse 8, verpakkingsgroep III.

 

2.2.8.1.6.3.5 5

 

2.2.8.1.7

Indien de stoffen van klasse 8 als gevolg van toevoegingen overgaan naar andere gevaarscategorieën dan die waartoe de met name genoemde stoffen in tabel A van hoofdstuk 3.2 behoren, moeten deze mengsels of oplossingen worden ingedeeld in de posities, waartoe zij op grond van hun werkelijke gevaar behoren.

Opmerking: Zie voor de classificatie van oplossingen en mengsels (zoals preparaten, formuleringen en afvalstoffen) ook 2.1.3.

 

2.2.8.1.8

Op grond van de criteria van 2.2.8.1.6 kan ook worden vastgesteld of de aard van een met name genoemde oplossing of een met name genoemd mengsel, respectievelijk een oplossing of een mengsel, die/dat een met name genoemde stof bevat, zodanig is, dat deze oplossing of dit mengsel niet is onderworpen aan de voorwaarden van deze klasse.

Opmerking: UN-nr. 1910 calciumoxide en UN-nr. 2812 natriumaluminaat, genoemd in de VN-modelbepalingen, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR.

 

2.2.8.2

Niet ten vervoer toegelaten stoffen

2.2.8.2.1

De chemisch instabiele stoffen van klasse 8 zijn niet ten vervoer toegelaten, tenzij de noodzakelijke maatregelen zijn getroffen om de mogelijkheid van een gevaarlijke ontleding of polymerisatie onder normale vervoersomstandigheden te verhinderen.

Voor de benodigde voorzorgsmaatregelen om polymerisatie te voorkomen, zie bijzondere bepaling 386 van hoofdstuk 3.3. Daartoe moet er in het bijzonder zorg voor worden gedragen, dat de houders en tanks geen stoffen bevatten, die deze reacties kunnen bevorderen.

 

2.2.8.2.2

De volgende stoffen van klasse 8 zijn niet ten vervoer toegelaten:

  • UN 1798 MENGSEL VAN SALPETERZUUR EN ZOUTZUUR,
  • chemisch instabiele mengsels van afvalzwavelzuur,
  • chemisch instabiele mengsels van nitreerzuur of niet gedenitreerde afgewerkte mengzuren,
  • oplossingen in water van perchloorzuur met meer dan 72 massa-% zuur, alsmede mengsels van perchloorzuur met andere vloeistoffen dan water,

 

2.2.8.3

 Lijst van verzamelaanduidingen

 2.2.8.3   ZONDER BIJKOMEND GEVAAR

 

2.2.8.3 4   MET BIJKOMEND GEVAAR

  • a Mengsels van vaste stoffen, die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR, met bijtende vloeistoffen, mogen worden vervoerd onder UN-nummer UN 3244, zonder dat eerst de indelingscriteria van klasse 8 worden toegepast, onder voorwaarde dat geen overtollige vloeistof zichtbaar is op het moment van het laden van de stof of van het sluiten van de verpakking, de wagen of de container. De verpakkingen moeten overeenkomen met een constructietype dat met goed gevolgd de dichtheidsproef voor verpakkingsgroep II heeft doorstaan.
  • b Chloorsilanen die in contact met water of vochtige lucht brandbare gassen ontwikkelen, zijn stoffen van klasse 4.3
  • c Chloorformiaten met overwegend giftige eigenschappen zijn stoffen van klasse 6.1.
  • d Bijtende stoffen die volgens subsectie 2.2.61.1.4 tot en met 2.2.61.1.9 zeer giftig zijn bij inademen, zijn stoffen van klasse 6.1.
  • e UN 1690 NATRIUMFLUORIDE, VAST, UN 1812 KALIUMFLUORIDE, VAST, UN 2505 AMMONIUMFLUORIDE, UN 2674 NATRIUMFLUOROSILICAAT, UN 2856 FLUOROSILICATEN, N.E.G., UN 3415 NATRIUMFLUORIDE, OPLOSSING en UN 3422 KALIUMFLUORIDE, OPLOSSING zijn stoffen van klasse 6.1.

 

 


CLASSIFICATIECODE CF1

CF : Bijtende stoffen, brandbaar


CF1 : Vloeibaar

 


GELIMITEERDE HOEVEELHEDEN : 1 LITER

3.4.1

In dit hoofdstuk zijn de voorwaarden opgenomen van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen van bepaalde klassen in gelimiteerde hoeveelheden. De beperkingen voor de hoeveelheden van toepassing per binnenverpakking of voorwerp, zijn voor elke stof aangegeven in kolom (7a) van tabel A van hoofdstuk 3.2. Bovendien is de hoeveelheid “0” aangegeven in deze kolom voor alle posities die niet ter vervoer overeenkomstig dit hoofdstuk zijn toegelaten.
Gelimiteerde hoeveelheden gevaarlijke goederen die in dergelijke gelimiteerde hoeveelheden verpakt zijn, die voldoen aan de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn niet onderworpen aan enige andere bepalingen van het ADR, met uitzondering van de desbetreffende bepalingen van:

  1. Deel 1, hoofdstukken 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5, 1.6, 1.8, 1.9;
  2. Deel 2;
  3. Deel 3, hoofdstukken 3.1, 3.2, 3.3 [behalve bijzondere bepalingen 61, 178, 181, 220, 274, 625, 633 en 650 e)];
  4. Deel 4, paragrafen 4.1.1.1, 4.1.1.2, 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8;
  5. Deel 5, 5.1.2.1 a) i) en b), 5.1.2.2, 5.1.2.3, 5.2.1.10, 5.4.2;
  6. Deel 6, constructievoorschriften van 6.1.4 en paragrafen 6.2.5.1 en 6.2.6.1 t/m 6.2.6.3;
  7. Deel 7, hoofdstuk 7.1 en 7.2.1, 7.2.2, 7.5.1 (behalve 7.5.1.4), 7.5.2.4, 7.5.7, 7.5.8 en 7.5.9;
  8. 8.6.3.3 en 8.6.4.

 

3.4.2

Gevaarlijke goederen mogen uitsluitend zijn verpakt in binnenverpakkingen die in geschikte buitenverpakkingen zijn geplaatst.

Er mogen tussenverpakkingen worden gebruikt. Verder moet voor voorwerpen van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S, volledig worden voldaan aan de voorschriften van sectie 4.1.5. Het gebruik van binnenverpakkingen is niet noodzakelijk voor het vervoer van voorwerpen zoals spuitbussen of “houders, klein, met gas”.

De totale bruto massa van het collo mag 30 kg niet overschrijden.

 

3.4.3

Behalve voor voorwerpen van subklasse 1.4, compatibiliteitsgroep S, zijn trays omwikkeld met krimp- of rekfolie, die voldoen aan de voorwaarden van 4.1.1.1, 4.1.1.2 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8, aanvaardbaar als buitenverpakking voor voorwerpen of binnenverpakkingen die gevaarlijke goederen bevatten, vervoerd overeenkomstig dit hoofdstuk. Binnenverpakkingen die gemakkelijk kunnen breken of worden doorboord, zoals die welke zijn vervaardigd van glas, porselein, aardewerk of bepaalde kunststoffen, moeten in geschikte tussenverpakkingen worden geplaatst die voldoen aan de bepalingen van 4.1.1.1, 4.1.1.2 en 4.1.1.4 t/m 4.1.1.8 en zodanig zijn ontworpen dat zij voldoen aan de constructievoorschriften van 6.1.4. De totale bruto massa van het collo mag 20 kg niet overschrijden.

 

3.4.4

Vloeibare goederen van klasse 8, verpakkingsgroep II in binnenverpakkingen van glas, porselein of aardewerk moeten zijn omhuld in een inerte en stijve tussenverpakking.

 

3.4.5

Gereserveerd

3.4.6

Gereserveerd

3.4.7

Kenmerking van colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten

3.4.7.1

Colli die gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden bevatten, moeten – behalve bij vervoer door de lucht – zijn voorzien van het in figuur 3.4.7.1 afgebeelde kenmerk:

3.4 LQ 1

Figuur 3.4.7.1 - Kenmerk voor colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten

Het kenmerk moet duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn en in staat zijn blootstelling aan weer en wind te weerstaan zonder een wezenlijke vermindering van de doeltreffendheid.

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant dat op een van zijn hoekpunten staat (ruitvormig). De bovenste en onderste gedeelten en de omringende lijn moeten zwart zijn. Het middelste gebied moet wit of een geschikte contrasterende achtergrond zijn. De minimale afmetingen moeten 100 mm x 100 mm bedragen en de minimale dikte van de lijn die de ruit vormt moet 2 mm zijn. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.4.7.2

Indien de grootte van het collo dit vereist, mogen de minimale buitenafmetingen zoals getoond in figuur 3.4.7.1 worden verkleind, met als ondergrens 50 mm x 50 mm, onder voorwaarde dat het kenmerk duidelijk zichtbaar blijft. De minimale dikte van de lijn die de ruit vormt mag worden teruggebracht tot een minimum van 1 mm.

 

3.4.8

Kenmerking van colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten conform deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO

3.4.8.1

Colli die gevaarlijke goederen bevatten verpakt in overeenstemming met de bepalingen van deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO mogen van het in figuur 3.4.8.1 afgebeelde kenmerk zijn voorzien ten bewijze dat aan deze bepalingen wordt voldaan:

3.4 LQ 2

Figuur 3.4.8.1 - Kenmerk voor colli die gelimiteerde hoeveelheden bevatten conform deel 3, hoofdstuk 4 van de Technische Instructies van de ICAO

Het kenmerk moet duidelijk zichtbaar en leesbaar zijn en in staat zijn blootstelling aan weer en wind te weerstaan zonder een wezenlijke vermindering van de doeltreffendheid

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant dat op een van zijn hoekpunten staat (ruitvormig). De bovenste en onderste gedeelten en de omringende lijn moeten zwart zijn. Het middelste gebied moet wit of een geschikte contrasterende achtergrond zijn. De minimale afmetingen moeten 100 mm x 100 mm bedragen en de minimale dikte van de lijn die ruit vormt moet 2 mm zijn. Het symbool “Y” moet in het midden van het kenmerk zijn aangebracht en moet duidelijk zichtbaar zijn. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.4.8.2

Indien de grootte van het collo dit vereist, mogen de minimale buitenafmetingen zoals getoond in figuur 3.4.8.1 worden verkleind, met als ondergrens 50 mm x 50 mm, onder voorwaarde dat het kenmerk duidelijk zichtbaar blijft. De minimale dikte van de lijn die de ruit vormt mag worden teruggebracht tot een minimum van 1 mm. Het symbool "Y" moet bij benadering in verhouding blijven tot het symbool "Y" in figuur 3.4.8.1.

 

3.4.9

Colli die gevaarlijke goederen bevatten en die zijn voorzien van het kenmerk getoond in 3.4.8 met of zonder de aanvullende etiketten en kenmerken voor vervoer door de lucht worden geacht te voldoen aan de voorwaarden van sectie 3.4.1, naar gelang van toepassing, en van de secties 3.4.2 t/m 3.4.4 en hoeven niet te zijn voorzien van het kenmerk afgebeeld in 3.4.7.

 

3.4.10

Colli die gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden bevatten en die zijn voorzien van het in 3.4.7 getoonde kenmerk en voldoen aan de bepalingen van de Technische Instructies van de ICAO, met inbegrip van alle noodzakelijke kenmerken en etiketten zoals aangegeven in de delen 5 en 6, worden geacht te voldoen aan de bepalingen van sectie 3.4.1, naar gelang van toepassing, en van de secties 3.4.2 t/m 3.4.4.

 

3.4.11

Gebruik van oververpakkingen
Voor een oververpakking die gevaarlijke goederen bevat verpakt in gelimiteerde hoeveelheden, geldt het volgende:

Tenzij de kenmerken representatief voor alle gevaarlijke goederen in een oververpakking zichtbaar zijn, moet de oververpakking:

  • de aanduiding “OVERVERPAKKING” bevatten. De letters van het woord “OVERVERPAKKING” moeten ten minste 12 mm hoog zijn. De aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van herkomst en bovendien, indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; en
  • zijn gekenmerkt met de kenmerken vereist volgens dit hoofdstuk.
    Behalve bij vervoer door de lucht zijn de overige bepalingen van 5.1.2.1 alleen van toepassing indien de oververpakking andere gevaarlijke stoffen bevat die niet verpakt zijn in gelimiteerde hoeveelheden en dan slechts in verband met deze andere gevaarlijke goederen.

 

3.4.12

Afzenders van gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden moeten voorafgaand aan het vervoer aan de vervoerder de totale bruto massa van dergelijke te verzenden goederen op aantoonbare wijze meedelen.

 

3.4.13

  1. Transporteenheden met een maximale massa van meer dan 12 ton die gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden vervoeren, moeten overeenkomstig 3.4.15 aan de voorzijde en de achterzijde van merktekens zijn voorzien, behalve indien de transporteenheid andere gevaarlijke goederen bevat waarvoor een kenmerking met oranje borden overeenkomstig 5.3.2 vereist is.

    Is dat laatste het geval, dan mag ofwel alleen de vereiste kenmerking met oranje borden ofwel zowel de kenmerking met oranje borden overeenkomstig 5.3.2 als de merktekens overeenkomstig 3.4.15 op de transporteenheid weergegeven zijn.

  2. Containers waarin gevaarlijke goederen verpakt in gelimiteerde hoeveelheden worden vervoerd op transporteenheden met een maximale massa van meer dan 12 ton, moeten overeenkomstig 3.4.15 aan alle vier de zijden van merktekens zijn voorzien, behalve indien de container andere gevaarlijke goederen bevat waarvoor het aanbrengen van grote etiketten overeenkomstig 5.3.1 vereist is. Is dat laatste het geval, dan mogen ofwel alleen de vereiste grote etiketten ofwel zowel de grote etiketten overeenkomstig 5.3.1 als de merktekens overeenkomstig 3.4.15 op de container weergegeven zijn.
    De dragende transporteenheid hoeft niet van merktekens te zijn voorzien, behalve indien de merktekens die op de containers zijn aangebracht van buiten deze dragende transporteenheid niet zichtbaar zijn.

    In het laatste geval moet dezelfde kenmerking zijn aangebracht aan de voorzijde en de achterzijde van de transporteenheid.

 

3.4.14

Van de merktekens aangegeven in 3.4.13 kan worden afgezien indien de totale bruto massa van de vervoerde colli, die gevaarlijke goederen bevatten, verpakt in gelimiteerde hoeveelheden, 8 ton per transporteenheid niet overschrijdt.

 

3.4.15

De merktekens gespecificeerd in 3.4.13 moeten overeenkomen met die welke is voorgeschreven in 3.4.7, behalve dat de afmetingen ten minste 250 mm x 250 mm moeten bedragen. Deze merktekens moeten zijn verwijderd of afgedekt indien geen gevaarlijke goederen in gelimiteerde hoeveelheden worden vervoerd.


VRIJGESTELDE HOEVEELHEDEN : E2

3.5.1

Vrijgestelde hoeveelheden

3.5.1.1

Vrijgestelde hoeveelheden van gevaarlijke goederen van bepaalde klassen - met uitzondering van voorwerpen - die aan de bepalingen van dit hoofdstuk voldoen, zijn aan geen enkele andere bepaling van het ADR onderworpen, behalve aan:

  1. de voorschriften voor de opleiding in hoofdstuk 1.3;
  2. de procedures voor de classificatie en de criteria voor de verpakkingsgroepen in deel 2;
  3. de verpakkingsvoorschriften van 4.1.1.1, 4.1.1.2, 4.1.1.4 en 4.1.1.6.

Opmerking: In het geval van radioactieve stoffen zijn de voorschriften voor radioactieve stoffen in vrijgestelde colli in 1.7.1.5 van toepassing.

 

3.5.1.2

Gevaarlijke goederen die als vrijgestelde hoeveelheden mogen worden vervoerd overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn in kolom (7b) van tabel A van hoofdstuk 3.2 als volgt door een alfanumerieke code aangegeven:

Code  

Grootste netto hoeveelheid
per binnenverpakking

(in grammen voor vaste stoffen en in ml voor vloeistoffen en gassen)

Grootste netto hoeveelheid per buitenverpakking
(in grammen voor vaste stoffen en in ml voor vloeistoffen en gassen, of de som van grammen en ml in het geval van gezamenlijke verpakking)
E0 Niet toegestaan als vrijgestelde hoeveelheid
E1 30 1000
E2 30 500
E3 30 300
E4 1 500
E5 1 300

Bij gassen heeft het volume aangegeven voor binnenverpakkingen betrekking op de waterinhoud van de binnenhouder en het volume aangegeven voor buitenverpakkingen heeft betrekking op de gecombineerde waterinhoud van alle binnenverpakkingen binnen één enkele buitenverpakking.

 

3.5.1.3

Indien gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden, waaraan verschillende codes zijn toegekend, gezamenlijk zijn verpakt, moet de totale hoeveelheid per buitenverpakking zijn beperkt tot die welke overeenkomt de meest restrictieve code.

 

3.5.1.4

Vrijgestelde hoeveelheden van gevaarlijke goederen waaraan de codes E1, E2, E4 en E5 zijn toegekend, met een grootste netto hoeveelheid gevaarlijke goederen per binnenverpakking die voor vloeistoffen en gassen tot 1 ml en voor vaste stoffen tot 1 g beperkt is en een grootste netto hoeveelheid gevaarlijke goederen per buitenverpakking van ten hoogste 100 g voor vaste stoffen of 100 ml voor vloeistoffen en gassen, zijn alleen onderworpen aan:

  1. de voorschriften van 3.5.2, behalve dat geen tussenverpakking is vereist indien de binnenverpakkingen op zodanige wijze veilig in een buitenverpakking met opvulmateriaal zijn verpakt dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken of worden doorboord noch hun inhoud kunnen verliezen, en, voor vloeistoffen, indien de buitenverpakking een voldoende hoeveelheid absorberend materiaal bevat voor het opnemen van de totale inhoud van de binnenverpakkingen; en
  2. de voorschriften van 3.5.3

 

3.5.2

Verpakkingen
Verpakkingen, gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden, moeten in overeenstemming zijn met het volgende:

  1. Er moet een binnenverpakking zijn en elke binnenverpakking moet zijn vervaardigd van kunststof (met een minimumwanddikte van 0,2 mm bij gebruik voor vloeistoffen) of van glas, porselein, steengoed, aardewerk of metaal (zie ook 4.1.1.2) en de sluiting van elke binnenverpakking moet op veilige wijze zijn gefixeerd met draad, band of andere werkzame middelen; houders die een hals met gegoten schroefdraad hebben, moeten zijn voorzien van een vloeistofdichte schroefdop. De sluiting moet bestand zijn tegen de inhoud;
  2. Elke binnenverpakking moet op veilige wijze zijn verpakt in een tussenverpakking met opvulmateriaal op een zodanige wijze, dat zij onder normale vervoersomstandigheden niet kunnen breken, worden doorboord of de inhoud verliezen. Bij vloeibare gevaarlijke goederen moet de tussen- of buitenverpakking genoeg absorberend materiaal bevatten om de volledige inhoud van de binnenverpakking te absorberen. Bij plaatsing in de tussenverpakking mag het absorberend materiaal het opvulmateriaal zijn. Gevaarlijke stoffen mogen niet gevaarlijk reageren met het opvulmateriaal, het absorberend materiaal en het materiaal van de verpakking of de ongeschonden staat of de functie van de materialen reduceren. Ongeacht de stand van de verpakking moet deze de inhoud volledig kunnen bevatten in geval van breuk of lekkage;
  3. De tussenverpakking moet op veilige wijze worden verpakt in een stevige, stijve buitenverpakking (hout, karton of een ander even stevig materiaal);
  4. Elk type collo moet in overeenstemming zijn met de bepalingen van 3.5.3;
  5. Elk collo moet zo groot zijn dat er voldoende ruimte is voor het aanbrengen van alle noodzakelijke kenmerken; en
  6. Oververpakkingen mogen worden gebruikt en mogen ook colli met gevaarlijke goederen bevatten of goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR.

 

3.5.3

Beproevingen voor de colli

3.5.3.1

Het volledige collo als voor het vervoer gereed gemaakt, met binnenverpakkingen die in het geval van vaste stoffen tot ten minste 95 % van hun inhoud en in het geval van vloeistoffen tot ten minste 98 % van hun inhoud zijn gevuld, moeten in staat zijn, zoals aangetoond door beproevingen die op passende wijze zijn gedocumenteerd, zonder breuk of lekkage van een binnenverpakking en zonder aanmerkelijke vermindering van de doeltreffendheid te doorstaan:

  1. Valproeven op een op een star, niet veerkrachtig vlak en horizontaal oppervlak van een hoogte van 1,8 m:
    1. Indien het monster de vorm heeft van een kist of doos, moet de valproef worden uitgevoerd in alle volgende oriëntatierichtingen:
      • plat op de bodem;
      • plat op de bovenzijde;
      • plat op de langste zijde;
      • plat op de kortste zijde;
      • op een hoek;
    2. Indien het monster de vorm heeft van een vat moet de valproef worden uitgevoerd in alle volgende oriëntatierichtingen:
      • diagonaalsgewijs op de bovenrand met het zwaartepunt loodrecht boven het trefpunt;
      • diagonaalsgewijs op de bodemrand;
      • plat op de zijde;

        Opmerking: Elke hierboven genoemde valproef mag met verschillende doch identieke colli worden uitgevoerd.

  2. Een kracht die gedurende 24 uur op het bovenoppervlak wordt aangebracht en die overeenkomt met de totale massa van identieke colli, gestapeld tot een hoogte van 3 m (het monster inbegrepen).

 

3.5.3.2

Voor beproevingsdoeleinden mogen de stoffen die in de verpakking vervoerd zullen worden door andere stoffen worden vervangen behalve indien dit de resultaten van de beproevingen ongeldig zou maken. Indien in het geval van vaste stoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet deze dezelfde fysische eigenschappen (massa, korrelgrootte, etc.) bezitten als de te vervoeren stof.
Indien bij de valproef voor vloeistoffen een andere stof wordt gebruikt, dan moet de relatieve dichtheid en viscositeit daarvan vergelijkbaar zijn met die van de vervoeren stof.

 

3.5.4

Kenmerking van colli

3.5.4.1

Colli die vrijgestelde hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevatten, die overeenkomstig dit hoofdstuk gereedgemaakt zijn, moeten duurzaam en leesbaar van het kenmerk, afgebeeld in 3.5.4.2, zijn voorzien. Het eerste of het enige nummer van het gevaarsetiket, aangegeven in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 van elk gevaarlijk goed dat zich in het collo bevindt moet worden vermeld op het kenmerk. Indien de naam van de afzender of geadresseerde niet elders op het collo is vermeld, moet deze informatie op het kenmerk worden opgenomen.

 

3.5.4.2

Kenmerk voor vrijgestelde hoeveelheden

3.5 EQ 1

Kenmerk voor vrijgestelde hoeveelheden

* Het nummer van het eerste of het enige gevaarsetiket aangegeven in kolom (5) van tabel A van hoofdstuk 3.2 moet op deze plaats zijn aangegeven.

** De naam van de afzender of de geadresseerde moet op deze plaats zijn aangegeven indien deze niet elders op het collo is te zien.

Het kenmerk heeft de vorm van een vierkant. De arcering en het symbool moeten dezelfde kleur hebben (zwart of rood) en zijn aangebracht op een witte of geschikte contrasterende achtergrond. De minimale afmetingen zijn 100 mm x 100 mm. Waar geen afmetingen zijn aangegeven, moeten alle kenmerken bij benadering in verhouding zijn tot de getoonde kenmerken.

 

3.5.4.3

Gebruik van oververpakkingen
Voor een oververpakking die gevaarlijke goederen bevat verpakt in vrijgestelde hoeveelheden, geldt het volgende:

Tenzij de kenmerken representatief voor alle gevaarlijke goederen in een oververpakking zichtbaar zijn, moet de oververpakking:

  • de aanduiding “OVERVERPAKKING” bevatten. De letters van het woord “OVERVERPAKKING” moeten ten minste 12 mm hoog zijn. De aanduiding moet zijn gesteld in een officiële taal van het land van herkomst en bovendien, indien deze taal niet het Engels, Frans of Duits is, in het Engels, Frans of Duits, tenzij eventuele overeenkomsten die tussen de bij het vervoer betrokken landen gesloten zijn, anders bepalen; en
  • zijn gekenmerkt met de kenmerken vereist volgens dit hoofdstuk.

De overige bepalingen van 5.1.2.1 zijn alleen van toepassing indien de oververpakking andere gevaarlijke goederen bevat die niet verpakt zijn in vrijgestelde hoeveelheden en dan slechts in verband met deze andere gevaarlijke goederen.

 

3.5.5

Hoogste aantal colli in een voertuig of container
Het aantal colli in een voertuig of container mag 1000 niet overschrijden.

 

3.5.6

Documentatie
Indien een document of documenten (zoals een cognossement, een luchtvrachtbrief of een CMR/CIM-vrachtbrief) bij de gevaarlijke goederen in vrijgestelde hoeveelheden aanwezig is/zijn, moet in ten minste één van deze documenten de verklaring "GEVAARLIJKE GOEDEREN IN VRIJGESTELDE HOEVEELHEDEN" en het aantal colli zijn opgenomen.

 

BENAMING / BESCHRIJVING

NEDERLANDS

NEDERLANDS

AZIJNZUURAN-
HYDRIDE

ENGELS

ENGELS

ACETIC ANHYDRIDE

DUITS

DUITS

ESSIGSÄUREANHYDRID

FRANS

FRANS

ANHYDRIDE ACÉTIQUE


ETIKETTEN (kolom 5)

KLASSE 2.1  

 Klasse 8

KLASSE 2.1  

 Klasse 3


HOOFDSTUK 3.3 - BIJZONDERE BEPALINGEN (kolom 6)

  • Op dit UN nummer zijn geen bijzondere bepalingen onder hoofdstuk 3.3.1 (Tabel A - kolom 6) vastgelegd.


VERPAKKINGEN


HOOFDSTUK 4.1.4 - VERPAKKINGSINSTRUCTIES & BIJZONDERE BEPALINGEN (kolom 8 & 9a)

P001

VERPAKKINGSINSTRUCTIE P001

P001 1

P001 2

IBC02

VERPAKKINGSINSTRUCTIE IBC02

IBC02


HOOFDSTUK 4.1.10 - GEZAMELIJKE VERPAKKING (kolom 9b)

  • 4.1.10.4 - Bepaling MP 15

    Mag, in hoeveelheden van ten hoogste 3 liter per binnenverpakking, gezamenlijk worden verpakt in een samengestelde verpakking volgens 6.1.4.21:

    • met goederen van dezelfde klasse, die onder een andere classificatiecode vallen, of met goederen van andere klassen, indien gezamenlijke verpakking ook voor deze goederen is toegestaan; of
    • met goederen die niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR,

    onder voorwaarde dat zij niet gevaarlijk met elkaar reageren.


TRANSPORTTANKS & BULKCONTAINERS


HOOFDSTUK 4.2.5.2 & 7.3.2 - INSTRUCTIES (kolom 10)

    • HOOFDSTUK 4.2.5.1 - INSTRUCTIES EN BIJZONDERE BEPALINGEN TRANSPORTTANKS - ALGEMEEN

      4.2.5.1.1 ALGEMENE BEPALINGEN

      Deze sectie omvat de instructies en bijzondere bepalingen voor transporttanks, die van toepassing zijn op gevaarlijke stoffen waarvan het vervoer in transporttanks is toegestaan.

      Elke transporttank-instructie wordt aangegeven met een alfanumerieke aanduiding (bijv. T1).

      Kolom (10) van tabel A van hoofdstuk 3.2 geeft de transporttank-instructie aan die gebruikt moet worden voor elke stof waarvan het vervoer in een transporttank is toegestaan.

      Als er in kolom (10) voor een specifieke gevaarlijke stof geen transporttank-instructie is aangegeven, dan is het vervoer van de stof in transporttanks niet toegestaan, tenzij goedkeuring is verleend door een bevoegde autoriteit, zoals vermeld in 6.7.1.3. Bijzondere bepalingen voor transporttanks worden toegekend aan specifieke gevaarlijke stoffen in kolom (11) van tabel A van hoofdstuk 3.2.

      Elke bijzondere bepaling voor transporttanks wordt aangegeven met een alfanumerieke aanduiding (bijv. TP1). Een lijst van de bijzondere bepalingen voor transporttanks staat vermeld in 4.2.5.3.

      Opmerking: De gassen die in MEGC's ten vervoer zijn toegelaten, zijn aangeduid met de letter "(M)" in kolom (10) van tabel A van hoofdstuk 3.2.

    • HOOFDSTUK 4.2.5.2 - TRANSPORTTANK INSTRUCTIES - ALGEMEEN

      4.2.5.2.1
      Transporttank-instructies zijn van toepassing op gevaarlijke stoffen van de klassen 1 t/m 9. Transporttank-instructies verschaffen specifieke informatie betreffende de voor specifieke stoffen geldende voorschriften voor transporttanks.

      Aan deze voorschriften moet worden voldaan naast de algemene voorschriften in dit hoofdstuk en hoofdstuk 6.7.

      4.2.5.2.2
      Voor stoffen van de klassen 1 en 3 t/m 9, vermelden de transporttank-instructies de minimale beproevingsdruk die van toepassing is, de minimale tankdikte (voor referentiestaal), voorschriften voor openingen aan de onderzijde en drukontlastingsinrichtingen. T23 geeft een lijst van zelfontledende stoffen van klasse 4.1 en organische peroxiden van klasse 5.2, waarvan het vervoer in transporttanks is toegestaan, naast de controle- en kritieke temperaturen die van toepassing zijn.

      4.2.5.2.3
      Niet sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen zijn ingedeeld bij transport-tankinstructie T50. T50 geeft de hoogste toelaatbare bedrijfsdrukken, en de voorschriften voor de openingen beneden de vloeistofspiegel, de drukontlasting en de maximale vuldichtheid voor niet sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen waarvan het vervoer in transporttanks is toegestaan.

      4.2.5.2.4
      Sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen zijn ingedeeld bij transporttank-instructie T75.

    • HOOFDSTUK 4.2.5.2.5 - BEPALING VAN DE JUISTE TRANSPORTTANK INSTRUCTIE

      Bepaling van de juiste transporttank-instructies
      Wanneer er in kolom (10) voor een specifieke gevaarlijke stoffenpositie een specifieke transporttank-instructie wordt genoemd, mag ook gebruik gemaakt worden van andere transporttanks die hogere minimale beproevingsdrukken, grotere wanddikten, stringentere voorschriften voor openingen aan de onderzijde en drukontlastingsinrichtingen voorschrijven.

      De volgende richtlijnen zijn bedoeld voor het vaststellen van de geschikte transporttanks die gebruikt mogen worden voor het vervoer van bepaalde stoffen:

      Vermelde transporttank instructie EVENEENS TOEGESTANE TRANSPORTTANK-INSTRUCTIES
      T1 T2, T3, T4, T5, T6, T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
      T2 T4, T5, T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
      T3 T4, T5, T6, T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
      T4 T5, T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
      T5 T10, T14, T19, T20, T22
      T6 T7, T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
      T7 T8, T9, T10, T11, T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
      T8 T9, T10, T13, T14, T19, T20, T21, T22
      T9 T10, T13, T14, T19, T20, T21, T22
      T10 T14, T19, T20, T22
      T11 T12, T13, T14, T15, T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
      T12 T14, T16, T18, T19, T20, T22
      T13 T14, T19, T20, T21, T22
      T14 T19, T20, T22
      T15 T16, T17, T18, T19, T20, T21, T22
      T16 T18, T19, T20, T22
      T17 T18, T19, T20, T21, T22
      T18 T19, T20, T22
      T19 T20, T22
      T20 T22
      T21 T22
      T22 Geen
      T23 Geen



HOOFDSTUK 4.2.5.3 - BIJZONDERE BEPALINGEN (kolom 11)

  • 4.2.5.3 - Bepaling TP 2

    De in 4.2.1.9.3 voorgeschreven vullingsgraad mag niet worden overschreden.

    4.2.5.3 TP02


ADR TANKS

HOOFDSTUK 4.3 - TANKCODE (kolom 12)

    • HOOFDSTUK 4.3.4.1.1 - CODERING VAN TANKS

      4.3.4.1.1 Codering van tanks
      De vier delen van de in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 aangegeven codes (tankcodes) hebben de volgende betekenis:

      DEEL OMSCHRIJVING TANKCODE
      1 Type tank

      L = tank voor stoffen in vloeibare toestand (vloeistoffen of vaste stoffen die in gesmolten toestand ten vervoer worden aangeboden)

      S = tank voor stoffen in vaste toestand (in poedervorm of korrelig)

      2 Berekeningsdruk G = minimale berekeningsdruk volgens de algemene voorschriften van 6.8.2.1.14; of 1,5; 2,65; 4; 10; 15 of 21 = minimale berekeningsdruk in bar (zie 6.8.2.1.14)
      3 Openingen (zie 6.8.2.2.2)

      A = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de onderzijde met 2 sluitingen

      B = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de onderzijde met 3 sluitingen

      C = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde, met onder de vloeistofspiegel alleen reinigingsopeningen

      D = tank met openingen voor het vullen of lossen aan de bovenzijde, zonder openingen onder de vloeistofspiegel

      4 Veiligheidskleppen/
      -inrichtingen

      V = tank met een be- en ontluchtingsinrichting volgens 6.8.2.2.6, maar zonder beschermende voorziening tegen vlaminslag; of niet explosieschokdrukbestendige tank

      F = tank met een be- en ontluchtingsinrichting volgens 6.8.2.2.6,
      voorzien van een beschermende voorziening tegen
      vlaminslag volgens 6.8.2.2.6; of explosieschokdrukbestendige tank

      N = tank zonder een be- en ontluchtingsinrichting volgens
      6.8.2.2.6 en niet hermetisch gesloten

      H = hermetisch gesloten tank (zie 1.2.1)

    • HOOFDSTUK 4.3.4.1.2 - GERATIONALISEERDE BENADERING

      4.3.4.1.2 - Gerationaliseerde benadering voor toekenning van ADR-tankcodes aan groepen van stoffen en tankhiërarchie.

      Opmerking: Bepaalde stoffen en groepen van stoffen zijn niet in de gerationaliseerde benadering opgenomen, zie 4.3.4.1.3.

      GERATIONALISEERDE BENADERING
      Tankcode Groep van toegestane stoffen
      Klasse Classificatiecode Verpakkingsgroep
      VLOEISTOFFEN:
      LGAV 3 F2 III
      9 M9 III
      LGBV 4.1 F2 II
      III
      5.1 O1 III
      9 M6 III
      M11 III
      en de groepen van de voor tankcode LGAV toegestane stoffen
      LGBF 3 F1 II, dampdruk bij 50 oC ≤ 1,1 bar
      F1 III
      D II, dampdruk bij 50 oC ≤, 1,1 bar
      D III
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV en LGBV toegestane stoffen
      L1,5BN 3 F1 II, dampdruk bij 50 °C > 1,1 bar
      F1 III, vlampunt <23 °C, viskeus, dampdruk bij 50 °C >1,1 bar, kookpunt >35 °C
      D II, dampdruk bij 50 °C > 1,1 bar
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV en LGBF toegestane stoffen
      L4BN 3 F1 I
      III, kookpunt < 35 °C
      FC III
      D I
      5.1 O1 I, II
      OT1 I
      8 C1 II, III
      C3 II, III
      C4 II, III
      C5 II, III
      C7 II, III
      C8 II, III
      C9 II, III
      C10 II, III
      CF1 II
      CF2 II
      CS1 II
      CW1 II
      CW2 II
      CO1 II
      CO2 II
      CT1 II, III
      CT2 II, III
      CFT II
      9 M11 III
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF en L1,5BN toegestane stoffen
      L4BH 3 FT1 II, III
      FT2 II
      FC II
      FTC II
      6.1 T1 II, III
      T2 II, III
      T3 II, III
      T4 II, III
      T5 II, III
      T6 II, III
      T7 II, III
      TF1 II
      TF2 II, III
      TF3 II
      TS II
      TW1 II
      TW2 II
      TO1 II
      TO2 II
      TC1 II
      TC2 II
      TC3 II
      TC4 II
      TFC II
      6.2 I3 II
      I4
      9 M2 II
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN en L4BN toegestane stoffen
      L4DH 4.2 S1 II, III
      S3 II, III
      ST1 II, III
      ST3 II, III
      SC1 II, III
      SC3 II, III
      4.3 W1 II, III
      WF1 II, III
      WT1 II, III
      WC1 II, III
      8 CT1 II, III
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN en L4BH toegestane stoffen
      L10BH 8 C1 I
      C3 I
      C4 I
      C5 I
      C7 I
      C8 I
      C9 I
      C10 I
      CF1 I
      CF2 I
      CS1 I
      CW1 I
      CW2 I
      CO1 I
      CO2 I
      CT1 I
      CT2 I
      COT I
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN en L4BH toegestane stoffen
      L10CH 3 FT1 I
      FT2 I
      FC I
      FTC I
      6.1* T1 I
      T2 I
      T3 I
      T4 I
      T5 I
      T6 I
      T7 I
      TF1 I
      TF2 I
      TF3 I
      TS I
      TW1 I
      TO1 I
      TC1 I
      TC2 I
      TC3 I
      TC4 I
      TFC I
      TFW I
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BH en L10BH toegestane stoffen
      * Aan stoffen met een LC50 lager dan of gelijk aan 200 ml/m3 en een verzadigde dampconcentratie hoger dan of gelijk aan 500 LC50 moet tankcode L15CH worden toegekend.
      L10DH 4.3 W1 I
      WF1 I
      WT1 I
      WC1 I
      WFC I
      5.1 OTC I
      8 CT1 I
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BH, L4DH, L10BH en L10CH toegestane stoffen
      L15CH 3 FT1 I
      6.1** T1 I
      T4 I
      TF1 I
      TW1 I
      TO1 I
      TC1 I
      TC3 I
      TFC I
      TFW I
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BN, L4BH, L10BH, en L10CH toegestane stoffen
      **Aan stoffen met een LC50 lager dan of gelijk aan 200 ml/m3 en een verzadigde dampconcentratie hoger dan of gelijk aan 500 LC50 moet deze tankcode L15CH worden toegekend
      L21DH 4.2 S1 I
      S3 I
      SW I
      ST3 I
      en de groepen van de voor de tankcodes LGAV, LGBV, LGBF, L1,5BN, L4BN, L4BH, L4DH, L10BH en L10CH, L10DH en L15CH toegestane stoffen
      VASTE STOFFEN:
      SGAV 4.1 F1 III
      F3 III
      4.2 S2 II, III
      S4 III
      5.1 O2 II, III
      8 C2 II, III
      C4 III
      C6 III
      C8 III
      C10 II, III
      CT2 III
      9 M7 III
      M11 II, III
      SGAN 4.1 F1 II
      F3 II
      FT1 II, III
      FT2 II, III
      FC1 II, III
      FC2 II, III
      4.2 S2 II
      S4 II, III
      ST2 II, III
      ST4 II, III
      SC2 II, III
      SC4 II, III
      4.3 W2 II, III
      WF2 II
      WS II, III
      WT2 II, III
      WC2 II, III
      5.1 O2 II, III
      OT2 II, III
      OC2 II, III
      8 C2 II
      C4 II
      C6 II
      8 C8 II
      C10 II
      CF2 II
      CS2 II
      CW2 II
      CO2 II
      CT2 II
      9 M3 III
      en de groepen van de voor tankcode SGAV toegestane stoffen
      SGAH 6.1 T2 II, III
      T3 II, III
      T5 II, III
      T7 II, III
      T9 II
      TF3 II
      TS II
      TW2 II
      TO2 II
      TC2 II
      TC4 II
      9 M1 II, III
      en de groepen van de voor de tankcodes SGAV en SGAN toegestane stoffen
      S4AH 6.2 I3 II
      9 M2 II
      en de groepen van de voor de tankcodes SGAV, SGAN en SGAH toegestane stoffen
      S10AN 8 C2 I
      C4 I
      C6 I
      C8 I
      C10 I
      CF2 I
      CS2 I
      CW2 I
      CO2 I
      CT2 I
      en de groepen van de voor de tankcodes SGAV en SGAN toegestane stoffen
      S10AH 6.1 T2 I
      T3 I
      T5 I
      T7 I
      TS I
      TW2 I
      TO2 I
      TC2 I
      TC4 I
      en de groepen van de voor de tankcodes SGAV, SGAN, SGAH en S10AN toegestane stoffen
    • HOOFDSTUK 4.3.4.1.2 - TANKHIËRARCHIE

      4.3.4.1.2 - Tankhiërarchie
      Tanks met tankcodes die afwijken van die welke zijn aangegeven in deze tabel of in tabel A van hoofdstuk 3.3, mogen ook gebruikt worden, onder voorwaarde dat elk element (getal of letter) van de delen 1 t/m 4 van deze tankcodes overeenkomt met een veiligheidsniveau dat tenminste gelijkwaardig is aan het overeenkomstige element van de tankcode die in tabel A van hoofdstuk 3.2 aangegeven is, overeenkomstig de hierna volgende opklimmende reeks:

      Deel 1: Tanktype
      S ─> L

      Deel 2: Berekeningsdruk
      G ----> 1,5 ----> 2,65 ----> 4 ----> 10 ----> 15 ----> 21 bar

      Deel 3: Openingen
      A ----> B ----> C ----> D

      Deel 4: Veiligheidskleppen / -inrichtingen
      V ----> F ----> N ----> H

      Bijvoorbeeld:

      • Een tank met de tankcode L10CN is toegelaten voor het vervoer van een stof, waaraan tankcode L4BN is toegekend:
      • Een tank met de tankcode L4BN is toegelaten voor het vervoer van een stof, waaraan tankcode SGAN is toegekend.

      Opmerking: In de hiërarchie wordt geen rekening met eventuele bijzondere bepalingen voor elke positie (zie 4.3.5 en 6.8.4).

    • HOOFDSTUK 4.3.4.1.3 - BIJZONDERE BEPALING +

      4.3.4.1.3
      De volgende stoffen en groepen van stoffen, waarbij in kolom (12) van tabel A in hoofdstuk 3.2 achter de tankcode een (+) weergegeven is, zijn onderworpen aan bijzondere bepalingen.

      In dat geval is het afwisselend gebruik van de tanks voor andere stoffen en groepen van stoffen alleen toegestaan indien dit in het certificaat van typegoedkeuring gespecificeerd is.

      Volgens de voorschriften na de tabel in 4.3.4.1.2 hoger gewaardeerde tanks mogen gebruikt worden, rekening houdend met de in kolom (13) van tabel A in hoofdstuk 3.2 aangegeven bijzondere bepalingen. De vereisten voor deze tanks volgen uit de onderstaande tankcodes, aangevuld door de desbetreffende bijzondere bepalingen die in hoofdstuk 3.2, tabel A, kolom (13) worden aangegeven.

      Klasse UN Benaming en omschrijving Tankcode
      1 0331 Springstof, type B S2.65AN
      4.1 2448 Zwavel, gesmolten LGBV
      3531 Polymeriserende stof, vast, gestabiliseerd, n.e.g. SGAN
      3533 Polymeriserende stof, vast, met temperatuurbeheersing, n.e.g.
      3532 Polymeriserende stof, vloeistof, gestabiliseerd, n.e.g. L4BN
      3534 Polymeriserende stof, vloeistof, met temperatuurbeheersing, n.e.g.
      4.2 1381 Fosfor, wit of geel, droog, onder water of in oplossing L10DH
      2447 Fosfor, wit, gesmolten
      4.3 1389 Amalgaam van alkalimetalen, vloeibaar L10BN
      1391 Dispersie van aardalkalimetalen of dispersie van alkalimetalen
      1392 Amalgaam van aardalkalimetalen, vloeibaar
      1415 Lithium
      1420 Metallische legeringen van kalium, vloeibaar
      1421 Legering van alkalimetalen, vloeibaar, n.e.g.
      1422 Legeringen van kalium en natrium, vloeibaar
      1428 Natrium
      2257 Kalium
      3401 Amalgaan van alkalimetalen, vast
      3402 Amalgaan van aardalkalimetalen, vast
      3403 Metallische legeringen van kalium, vast
      3404 Legeringen van kalium en natrium, vast
      3482 Dispersie van alkalimetalen, brandbaar of dispersie van aardalkalimetalen, brandbaar
      1407 Cesium L10CH
      1423 Rubidium
      1402 Calciumcarbide, verpakkingsgroep I S2.65AN
      5.1 1873 Perchloorzuur, met meer dan 50 massa-%, doch ten hoogste 72 massa-% zuur L4DN
      2015 Waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 70% waterstofperoxide L4DV
      2014 Waterstofperoxide, oplossing in water met ten minste 20% doch ten hoogste 60% waterstofperoxide L4BV
      2015 Waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 60% waterstofperoxide doch ten hoogste 70% waterstofperoxide
      2426 Ammoniumnitraat, vloeibaar, warme geconcentreerde oplossing met een concentratie hoger dan 80%, maar ten hoogste 93%
      3149 Waterstofperoxide en peroxyazijnzuur, mengsel, gestabiliseerd
      3375 Ammoniumnitraat, emulsie, suspensie of gel, vloeibaar, tussenproduct voor de bereiding van springstoffen LGAV
      3375 Ammoniumnitraat, emulsie, suspensie of gel, vast, tussenproduct voor de bereiding van springstoffen SGAV
      5.2 3109 Organisch peroxide, type F, vloeibaar L4BN
      3119 Organisch peroxide, type F, vloeibaar, met temperatuurbeheersing
      3110 Organisch peroxide, type F, vast S4AN
      3120 Organisch peroxide, type F, vast, met temperatuurbeheersing
      6.1 1613 Cyaanwaterstof, oplossing in water L15DH
      3294 Cyaanwaterstof, oplossing in alcohol
      7a Alle stoffen bijzondere tanks
      Minimumeisen voor vloeistoffen L2.65CN
      Minimumeisen voor vaste stoffen S2.65AN
      z 1052 Fluorwaterstof, watervrij L21DH
      1744 Broom of broom, oplossing
      1790 Fluorwaterstofzuur, oplossing, met meer dan 85% fluorwaterstof
      1791 Hypochloriet, oplossing L4BV
      1908 Chloriet, oplossing

      a Niettegenstaande de algemene voorschriften van deze paragraaf mogen tanks die voor radioactieve stof zijn gebruikt, ook voor het vervoer van andere goederen worden gebruikt, onder voorwaarde dat aan de voorschriften van 5.1.3.2 is voldaan.

    • HOOFDSTUK 4.3.4.1.4 - VLOEIBARE AFVALSTOFFEN

      4.3.4.1.4
      Tanks, bestemd voor het vervoer van vloeibare afvalstoffen, die voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 6.10 en overeenkomstig 6.10.3.2 van twee sluitingen voorzien zijn, moeten worden toegewezen aan tankcode L4AH.

      Indien de betreffende tanks uitgerust zijn voor het afwisselend vervoer van vloeibare en vaste stoffen, moeten zij worden toegewezen aan de gecombineerde codes L4AH+S4AH.

    • HOOFDSTUK 4.3.4.2 - ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

      4.3.4.2.1
      Indien warme stoffen zijn geladen, mag de temperatuur van het buitenoppervlak van de tank of van de warmte-isolatie tijdens het vervoer 70 oC niet overschrijden.

      4.3.4.2.2 - van toepassing op vaste tanks (tankwagens), afneembare tanks en batterijwagens
      De verbindingsleidingen tussen onafhankelijke, maar onderling verbonden tanks van een transporteenheid moeten tijdens het vervoer leeg zijn. Buigzame laad- en losleidingen die niet duurzaam met de tank zijn verbonden, moeten tijdens het vervoer leeg zijn.


HOOFDSTUK 4.3.5 & 6.8.4 - BIJZONDERE BEPALINGEN (kolom 13)


VOERTUIG VOOR TANKVERVOER

HOOFDSTUK 9.1.1.2 VOERTUIG VOOR TANKVERVOER (kolom 14)

FL-voertuig

  1. een voertuig, bestemd voor het vervoer van vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 60 °C (met uitzondering van dieselolie die voldoet aan de norm EN 590:2013 + A1:2017, gasolie en lichte stookolie - UN-nummer 1202 - met een vlampunt zoals gespecificeerd in de norm EN 590:2013 + A1:2017) in vaste tanks of afneembare tanks met een inhoud van meer dan 1 m³ of in tankcontainers of transporttanks met een individuele inhoud van meer dan 3 m³; of
  2. een voertuig, bestemd voor het vervoer van brandbare gassen in vaste tanks of afneembare tanks met een inhoud van meer dan 1 m3 of in tankcontainers, transporttanks of MEGC's met een individuele inhoud van meer dan 3 m3; of
  3. een batterijwagen met in totaal een inhoud van meer dan 1 m³, bestemd voor het vervoer van brandbare gassen; of
  4. een voertuig, bestemd voor het vervoer van waterstofperoxide, gestabiliseerd of waterstofperoxide, oplossing in water, gestabiliseerd, met meer dan 60% waterstofperoxide (klasse 5.1, UN 2015) in vaste tanks of afneembare tanks met een inhoud van meer dan 1 m³, of in tankcontainers of transporttanks met een individuele inhoud van meer dan 3 m³;

Meer informatie over constructie, bouw, goedkeuring etc. in deel 9 van het ADR


VERVOERSCATEGORIE / CODE VOOR BEPERKINGEN IN TUNNELS

HOOFDSTUK 1.1.3.6 - VERVOERSCATEGORIE (Kolom 15)

VERVOERS CATEGORIE
2

1000 PUNTEN TABEL
333 KG / LTR

1000 PUNTEN TABEL

1.1.3.6.3

Indien gevaarlijke goederen die in de transporteenheid worden vervoerd, tot dezelfde categorie behoren, is de hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid aangegeven in kolom (3) van de onderstaande tabel.

Een Excel versie van onderstaande 1000 punten tabel is te downloaden op deze website.  Klik HIER om de excel sheet te downloaden.

VERVOERSCATEGORIE  KLASSE 
STOFFEN EN VOORWERPEN MAXIMAAL TOEGESTAAN IN KG OF LTR
0 1 1.1A, 1.1L, 1.2L, 1.3L GOEDEREN VALLEN NIET ONDER DE VRIJSTELLINGSGRENS
1 UN 0190
3 UN 3343
4.2 STOFFEN DIE ZIJN INGEDEELD IN VERPAKKINGSGROEP I
4.3 UN 1183, 1242, 1295, 1340, 1390, 1403, 1928, 2813 (1,2,3), 2965,
2968, 2988, 3129 (1,2,3), 3130 (1,2,3), 3131 (1,2,3), 3132 (1,2,3), 3134 (1,2,3), 3148 (1,2,3), 3396 (1,2,3), 3398 (1,2,3), 3399 (1,2,3)
5.1 UN 2426
6.1 UN 1051, 1600, 1613, 1614, 2312, 3250, 3294
6.2 UN 2814 (1,2,3), 2900 (1,2,3), 3549
7 UN 2912 t/m 2919, 2977, 2978, 3321 t/m 3333
8 UN 2215 (MALEÏNEZUURANHYDRIDE, GESMOLTEN)
9 UN 2315, 3151, 3152 en 3432, alsmede voorwerpen die deze stoffen of mengsels bevatten
  Alsmede ongereinigde lege verpakkingen die stoffen van deze vervoerscategorie hebben bevat, met uitzondering van verpakkingen die onder UN-nummer 2908 zijn ingedeeld.
 
1   Stoffen en voorwerpen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep I en niet  onder vervoerscategorie 0 vallen,  

alsmede stoffen en voorwerpen van de volgende klassen:
20
1 1.1B tot 1.1J*, 1.2B tot 1.2J, 1.3C, 1.3G, 1.3H, 1.3J, 1.5D*
2 Groepen T, TC*, TO, TF, TOC* en TCF.
Spuitbussen: groepen C, CO, FC, T, TF, TC, TO, TFC en TOC
Chemicaien onder druk: UN 3502, 3503, 3504 en 3505 
4.1 UN 3221 t/m 3224, 3231 t/m 3240, 3533 en 3534
5.2 UN 3101 t/m 3104, 3111 t/m 3120
    * Voor de UN-nummers 0081, 0082, 0084, 0241, 0331, 0332, 0482, 1005 en 1017 bedraagt de hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid 50kg  
 
2   Stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep II en die niet onder vervoerscategorie 0, 1 of 4 vallen, 333
1 1.4B t/m 1.4G, 1.6N
2 Groep F,
Spuitbussen: groep F,
Chemicalien onder druk: UN 3501
4.1  UN 3225 t/m 3230. 3531 en 3532
4.3 UN 3292
5.1 UN 3356
5.2 UN 3105 t/m 3110
6.1 UN 1700, 2016, 2017 en stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep III
9  UN 3090, 3091, 3245 (1,2) 3480 en 3481
 
3   Stoffen die zijn ingedeeld in verpakkingsgroep III en die niet onder vervoerscategorie 0, 2 of 4 vallen 1000
2.2 Groepen A en O
Spuitbussen: groepen A en O
Chemische stoffen onder druk: UN 3500
3 UN 3473
4.3 UN 3476
8 UN 2794, 2795, 2800, 3028, 3477 en 3506
9 UN 2990 en 3072
 
4 1 1.4S GEEN LIMIET
2 UN 3537 T/M 3539
3 UN 3540
4.1 UN 1331, 1345, 1944, 1945, 2254, 2623 EN 3541
4.2 UN 1361 (1,2) en 1362 Verpakkingsgroep III en UN 3542
4.3 UN 3543
5.1 UN 3544
5.2 UN 3545
6.1 UN 3546
7 UN 2908 t/m 2911
8 UN 3547
9 UN 3268, 3499, 3508, 3509 en 3548
  alsmede ongereinigde lege verpakkingen, die gevaarlijke goederen hebben bevat, met uitzondering van die welke onder de vervoerscategorie 0 vallen

 

 

  1. Voor de UN-nummers 0081, 0082, 0084, 0241, 0331, 0332, 0482, 1005 en 1017 bedraagt de hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid 50kg
  2. De hoogst toelaatbare totale hoeveelheid voor elke vervoerscategorie komt overeen met een berekende waarde van “1000” (zie ook 1.1.3.6.4)

In de bovenstaande tabel wordt onder “hoogst toelaatbare totale hoeveelheid per transporteenheid” verstaan:

  • voor voorwerpen, de totale massa in kilogrammen van de voorwerpen zonder hun verpakkingen (voor voorwerpen van klasse 1, netto massa van de ontplofbare stof in kg; voor gevaarlijke stoffen in machines en uitrustingen, zoals omschreven in deze Bijlage, de totale hoeveelheid daarin aanwezige gevaarlijke stoffen in kilogram resp. liter);
  • voor vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen, sterk gekoelde, vloeibaar gemaakte gassen en opgeloste gassen, de netto massa in kilogrammen;
  • voor vloeistoffen, de totale hoeveelheid gevaarlijke goederen in liters;
  • voor gecomprimeerde gassen, geadsorbeerde gassen en chemische stoffen onder druk, de waterinhoud van de houder in liters.

 


HOOFDSTUK 8.6 - TUNNEL BEPERKINGEN (Kolom 15)

ADR DIGITAAL VOORBEELD

TUNNEL CATEGORIE
D/E


Los gestort vervoer of vervoer in tanks:
doorgang verboden door tunnels van categorie D en E;

Ander vervoer:
doorgang verboden door tunnels van categorie E

 

  •  
     
    • Roertunnel
    • Schipholtunnel
    • Swalmentunnel
    • Leidsche Rijntunnel
    • Willem-Alexandertunnel.
  •  

     

    • Beneluxtunnel
    • Coentunnel
    • Drechttunnel
    • Ketheltunnel
    • Kiltunnel
    • Noordtunnel
    • Sluiskiltunnel
    • Salland-Twentetunnel
    • Sytwendetunnel
    • Thomassentunnel
    • Vlaketunnel
    • Waterwolftunnel
    • Westerscheldetunnel
    • Wijkertunnel
    • Zeeburgertunnel.
    • Zelzate tunnel (Belgie)

  •  
     
    • Botlektunnel
    • Heinenoordtunnel
    • Hubertustunnel
    • IJtunnel
    • Koningstunnel
    • Maasboulevardtunnel
    • Maastunnel
    • Piet Heintunnel
    • Velsertunnel
    • Michiel de Ruijtertunnel.  
    • Kennedytunnel (Belgie)
    • Tunnel van Cointe (Belgie)
  •  
     
    • ArenAtunnel
    • Stadsbaantunnel. 
    • Waaslandtunnel (Belgie)
    • Hoge Mouwtunnel (Belgie)
    • De Bond Leuven (Belgie)
    • Vierarmen (Belgie
    • Tunnel onder 't Zand (Belgie)
    • Tunnels van de kleine ring Brussel stad
    • Van Praettunnel (Belgie)
    • Navo tunnel (Belgie)
TUNNEL BEPERKINGEN TOELICHTING

ADR Digitaal

8.6.1

Algemene bepalingen
De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing indien de doorgang van voertuigen door tunnels voor het wegverkeer beperkt is in overeenstemming met 1.9.5.

 

8.6.2

Verkeerstekens en symbolen voor het wegverkeer, van toepassing op de doorgang van voertuigen die gevaarlijke goederen vervoeren.

De tunnelcategorie, toegekend door de bevoegde autoriteit aan een bepaalde tunnel voor het wegverkeer in overeenstemming met 1.9.5.1 met het doel de doorgang van transporteenheden die gevaarlijke stoffen vervoeren te beperken, moet als volgt worden aangegeven door verkeerstekens en symbolen:

Verkeersteken en symbool Tunnelcategorie
Geen verkeersteken Tunnelcategorie A
Verkeersteken met bijkomend bord voorzien van de letter B Tunnelcategorie B
Verkeersteken met bijkomend bord voorzien van de letter C Tunnelcategorie C
Verkeersteken met bijkomend bord voorzien van de letter D Tunnelcategorie D
Verkeersteken met bijkomend bord voorzien van de letter E Tunnelcategorie E

 

8.6.3

Codes voor beperkingen in tunnels

8.6.3.1

De beperkingen voor het vervoer van bepaalde gevaarlijke goederen door tunnels zijn gebaseerd op de code voor beperkingen in tunnels van deze goederen, aangegeven in kolom (15) van tabel A van hoofdstuk 3.2.

De codes voor beperkingen in tunnels zijn tussen haakjes aangegeven in het onderste deel van de cel. Indien “(─)” is aangegeven in plaats van één van de codes voor beperkingen in tunnels, dan zijn de gevaarlijke stoffen aan geen enkele beperking in tunnels onderworpen; wat betreft de gevaarlijke goederen, ingedeeld in de UN-nummers 2919 en 3331, kunnen beperkingen voor de doorgang door tunnels echter deel uitmaken van de speciale regeling, goedgekeurd door de bevoegde autoriteit(en) op grond van 1.7.4.2.

 

8.6.3.2

Indien een transporteenheid gevaarlijke goederen bevat, waaraan verschillende codes voor beperkingen in tunnels zijn toegekend, dan moet de meest restrictieve van deze codes voor beperkingen in tunnels worden toegekend aan de gehele lading.

 

8.6.3.3

Gevaarlijke stoffen die overeenkomstig 1.1.3 worden vervoerd, zijn niet onderworpen aan beperkingen in tunnels en moeten niet in aanmerking worden genomen voor het vaststellen van de code voor beperkingen in tunnels, die aan de gehele lading van de transporteenheid moet worden toegekend, behalve indien de transporteenheid moet zijn voorzien van de kenmerking overeenkomstig 3.4.13 onder voorbehoud van 3.4.14.

 

8.6.4

Beperkingen voor de doorgang van transporteenheden die gevaarlijke goederen vervoeren door tunnels

De beperkingen voor de doorgang door tunnels zijn van toepassing:

  • op transporteenheden waarvoor kenmerking overeenkomstig 3.4.13 onder voorbehoud van 3.4.14 is voorgeschreven, voor de doorgang door tunnels van categorie E; en
  • op transporteenheden waarvoor kenmerking met een oranje bord overeenkomstig 5.3.2 is voorgeschreven, volgens onderstaande tabel, nadat de aan de gehele lading van de transporteenheid toe te kennen code voor beperkingen in tunnels is vastgesteld.
Code voor beperking
in tunnels
voor de
gehele lading
Beperking
B Doorgang verboden door tunnels van de categorie B, C, D en E.
B1000C Vervoer waarbij de totale netto massa ontplofbare stof per transporteenheid

- 1000 kg overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van de categorie B, C, D en E;
- 1000 kg niet overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van de categorie C, D en E

B/D Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie B, C, D en E;
Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E
B/E Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie B, C, D en E;
Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E
C Doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E
C5000D Vervoer waarbij de totale netto massa ontplofbare stof per transporteenheid

- 5000 kg overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;
- 5000 kg niet overschrijdt: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E

C/D - Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;
- Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E
C/E

- Vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie C, D en E;
- Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E

D Doorgang verboden door tunnels van categorie D en E
D/E Los gestort vervoer of vervoer in tanks: doorgang verboden door tunnels van categorie D en E;

Ander vervoer: doorgang verboden door tunnels van categorie E
E Doorgang verboden door tunnels van categorie E
- Doorgang toegestaan door alle tunnels
(Zie voor de UN-nummers 2919 en 3331 ook 8.6.3.1).

Opmerking 1: Bijvoorbeeld, de doorgang van een transporteenheid waarin UN 0161 rookzwak buskruit, classificatiecode 1.3C, code voor beperkingen in tunnels C5000D, wordt vervoerd, is in een hoeveelheid die overeenkomt met een totale netto massa ontplofbare stof van 3000 kg verboden door tunnels van categorieën D en E.

Opmerking 2: In gelimiteerde hoeveelheden verpakte gevaarlijke goederen die worden vervoerd in containers of transporteenheden met een kenmerking overeenkomstig de IMDG Code zijn niet onderworpen aan de beperkingen voor de doorgang door tunnels van categorie E wanneer de totale bruto massa van de colli met in gelimiteerde hoeveelheden verpakte gevaarlijke goederen ten hoogste 8 ton per transporteenheid bedraagt.

 


BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR HET VERVOER

HOOFDSTUK 7.2.4 - COLLI (Kolom 16)


HOOFDSTUK 7.3.3 - LOS GESTORT (Kolom 17)

  • Onder dit UN nummer zijn geen bijzondere bepalingen (los gestort zoals vermeld onder hoofdstuk 7.3.3 (Tabel A - kolom 17) vastgelegd.


HOOFDSTUK 7.5.11 - LADEN, LOSSEN & BEHANDELING (Kolom 18)


HOOFDSTUK 8.5 - BEDRIJF (Kolom 19)

  • Aanvullende voorschriften inzake het vervoer van brandbare vloeistoffen of gassen

    1. Draagbare verlichtingsapparatuur
      Het laadcompartiment van gesloten voertuigen die vloeistoffen met een vlampunt van ten hoogste 60 oC of brandbare stoffen of voorwerpen van klasse 2 vervoeren, mogen niet worden binnengegaan door personen met draagbare verlichtingsapparatuur behalve die zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat zij brandbare dampen of gassen die tot in het voertuig kunnen zijn doorgedrongen, niet kunnen ontsteken.
    2. Het in bedrijf hebben van verwarmingssystemen op brandstof tijdens laden of lossen
      Het in bedrijf hebben van verwarmingssystemen op brandstof, van FL-voertuigen (zie deel 9) is tijdens laden en lossen en op laadplaatsen verboden.
    3. Voorzorgsmaatregelen tegen elektrostatische ladingen
      Indien het FL-voertuigen betreft (zie deel 9) moet een goede elektrische verbinding tussen het voertuigchassis en de aarde worden gemaakt voordat tanks worden gevuld of geledigd. Bovendien dient de vulsnelheid te worden beperkt.

     


SCHRIFTELIJKE INSTRUCTIES

GEVSTOF LOGO NEW

OVER   

Over ADR-Digitaal

Telefoon : +31 (0)850 470486

Mobiel : +31 (0)6 46855372
KvK Rotterdam : 24491885

BLIJF OP DE HOOGTE  
En schrijf je in voor onze nieuwsbrief